Om klokslag 5 uur zat
hij in Café Horta. Als eerste, te sjofel
voor het café, te opgedirkt om voor schrijver op een zolderkamer door te gaan. Vis
noch vlees. Hij voelde hoe de smaak van
zijn eigen middelmatigheid van diep in zijn ingewanden naar boven borrelde en
zich vast zette in een witte aanslag op zijn tong, met een kurkdroge mond tot gevolg.
Karin kwam binnen met een Blonde God achter haar, perfect in driedelig
pak, tandpastaglimlach en brillantine in het naar achter gekamde haar. Het perfecte plaatje waar Joppe normaal
gezien een hekel aan had, maar hij moest toegeven dat deze god iets sympathieks
over zich had en hij leek een tikkeltje gay.
Misschien dat dat hem sympathiek maakte: liever een nette homo dan een
gladde hetero. Karin kwam enthousiast
naar hem toegelopen: ‘Joppe, dit is Karel.
Karel, dit is Joppe. Voila, nu kennen jullie elkaar. Ik zou heel graag blijven, maar ik heb afgesproken
met mijn moeder en zij wacht niet graag.
Je weet hoe moeders zijn. Veel
plezier, jongens!’ En weg was jolige
Karin. En alleen waren de Blonde God en
hij, de vleesgeworden middelmatigheid.
Karel keek hem een
beetje scheef lachend aan. ‘Tja, we
zullen er maar het beste van maken he!’
En hij knipoogde naar hem. Hij
knipoogde naar hém, Joppe! Dacht Karin
dat hij homoseksueel was? Dat
misverstand moest hij zo snel mogelijk de wereld weer uithelpen. ‘Euh’, begon hij.
‘Wacht even, Joppe,
eerst even iets bestellen’, werd hij vlot onderbroken door de Blonde God. ‘Voor
mij een Kir, wat jij, Joppe?’ ‘Euh, doe
maar een witte martini.’ Een witte
martini, hoe kwam hij daar nu weer bij.
Witte martini-gay, gay, gay- ging zijn eigen alarmbel. Niet aan denken, wegduwen, een normaal
gesprek beginnen.
‘Hoe is het op de
bank, wil het werk wat vlotten?’ vroeg hij aan de Blonde God.
‘ Ja, super, dank
je. Je dossiers waren in een
onberispelijke staat. Je lijkt me een
echte vakman!’
Oh neen, daar begon
het vleien al. Hoewel hij wel oprecht leek.
Wat een vreemd figuur was deze Blonde God, glad als een aal en toch zo
eerlijk. Kon dat? Of was die eerlijkheid een pose, een versiertruc om sjofele mannen in zijn bed te praten? Misschien zocht hij weer te veel achter de
dingen. Misschien was dit afspraakje
echt bedoeld om van gedachten te wisselen over de job. Maar wat kon hij deze man nog leren? Deze Karel was duidelijk een veel beter
verkoper dan hij en dat was toch wat ze eigenlijk waren: verkopers met een
zekere vertrouwensfunctie. Hij had
altijd een soort raadsman voor de mensen willen zijn, maar als hij eerlijk was,
was hij gewoon een slecht verkoper geweest.
Economisch gezien toch, moreel voelde hij zich steeds dat tikje meer dan
zijn collega’s. Kon hij daar over
beginnen met deze Karel? Een boompje
opzetten over de uitwassen van het kapitalistische systeem leek wel erg ver weg
van de realistische mogelijkheden.
‘Karin zegt me altijd
dat jij zo integer omging met de klanten, dat jij in eer en geweten nooit een
klant hebt belazerd. Dat fascineert me.’
Wat nu gedaan? Een kapitalist op kousevoeten of was het een
wolf in schaapskleren? Dit was te gek
voor woorden.
‘Ik meen het hoor. Het is een hele kunst om in dit vak jezelf te
kunnen blijven en je niet te laten imponeren door de richtlijnen van
hogerop. Hoe doe jij dat? Of hoe deed jij dat, mijn excuses. Of wil je er liever niet meer over praten?’
‘Jawel natuurlijk, daarvoor zijn we toch hier.
Ik vertrek gewoon van mezelf als ik mensen een bepaalde vorm van pensioensparen
voorstel, excuseer, voorstelde. Ik word zelf niet graag bedrogen. Dat houd ik me altijd voor. Doe niet aan een ander, wat je zelf ook niet
zou willen. Ik vraag/vroeg me altijd af
voor welke specifieke vorm van pensioensparen ik zou kiezen, mocht ik me in de
financiële toestand van mijn cliënt bevinden en dan keek ik ook nog naar de
persoonlijkheid, want het is niet omdat iemand de middelen heeft voor een
risicovolle portefeuille dat die persoon dat ook emotioneel aankan. Dat is een
moeilijke opgave en vraagt veel empathie.
Daarenboven heb je nog je eigen ideologische voorkeuren. En die moeten, vind ik, ook te rijmen zijn
met wat je je cliënten aanbiedt. Mijn
empathie is dus wel begrensd. Ik ga dus geen opties aanbieden die ik
verwerpelijk vind. Ik vind niet dat mensen om maar het hoogst mogelijke
pensioen op te bouwen hun geld moeten steken in allerlei multinationals die
niet zuiver op de graat zijn, ik suggereer te investeren in kleine plaatselijke
bedrijven, met goede arbeidsvoorwaarden en strenge milieurichtlijnen.’ Hij stond versteld van zijn eigen
spraakvaardigheid. Deze ideeën had hij
nog nooit tegenover iemand uitgesproken of toch niet zo direct. Hij hoopte maar dat Karel zijn mond hield
tegen Karin. Straks zou ze weer kunnen
lachen met hem, ‘Joppe, de wereldverbeteraar met zijn principes’. ‘Daar ben ik
dus jaloers op’, zei Karel. ‘ Ik geloof
niet dat ik veel principes heb als het aankomt op het aansmeren van contracten
aan mijn cliënten. Dat zit me echt een
beetje dwars de laatste tijd. Ik word
bejubeld door de directie, maar voel me hoe langer hoe meer een marionet. Tragisch eigenlijk. Karin dacht dat jij me misschien wel zou
kunnen helpen. Ze heeft echt een hoge
pet van je op, wist je dat? Vind je haar
ook zo’n schat?’
Een marionet, Karin
die een hoge pet van hem op had.... Het
duizelde Joppe een beetje.
‘Ik zie dat ik je wat
met mijn verhaal overval. Je denkt
misschien: wat heb ik hier mee te maken?
En dat is helemaal terecht, ik verlang ook niks van je. Ik wilde gewoon eens van gedachten met jou
wisselen, als jij dat ook wil natuurlijk. Opteer jij nooit voor de meest
risicovolle portefeuilles?’ ‘Nooit is
een groot woord maar in ieder geval heel zelden en dan duid ik mijn cliënten heel
helder op de risico’s en ik geef het daarenboven alleen als optie als het gaat om mensen die
zich grote risico’s kunnen permitteren. Dan
bied/bood ik het dus wel soms aan. Het is als bankbediende immers ook nog je
taak om de economie mee draaiende te houden.
Daar kan je nooit helemaal onderuit. Als je daar niet tegen kan, dan
moet je er uit stappen. Wat ik
uiteindelijk heb gedaan.’ Deze laatste
zin fluisterde hij bijna, zo genegeerd voelde hij zich om zoveel openheid. Karel leek het niet te merken en ging gewoon
verder met hem te complimenteren, wat hem nog meer in de verlegenheid
bracht.
‘Jij hebt echt overal
een antwoord op. Weet je dat ik dat
verschrikkelijk knap van je vind?’
Dit was gewoon
verleidingspraat, dat kon niet anders. Eerst
werd hij verleid tot het uiten van zijn meest intieme gedachten en nu werd hij
erom geroemd. Hij moest die geslepen
Blonde God nu stoppen.
‘Joppe’ en de Blonde
God nam Joppes hand vast, ‘ik zie dat ik je in verlegenheid breng en dat is
echt niet de bedoeling. Ik weet dat
Karin stiekem hoopt dat het tussen ons iets word, maar ik kan je verzekeren dat
ik daar niet van uitga, dat ik hier vooral ben op professionele basis ben en geen
verlangens in een andere richting koester.
Of toch voorlopig niet.’ En weer
een knipoog.
Joppe dacht dat hij
ter plekke door de grond zou zinken.
Hier zat hij dan in de verkeerde outfit hand in hand met een verkeerde
man. Hoe moest hij zich hier uit
redden? Waren alle homoseksuelen zo
open, zo direct als deze Karel hier?
‘Karel’, begon hij
moeizaam, ‘ik ben niet zo, niet zo, je weet wel, zoals jij.’
‘Je bedoelt dat je
niet homoseksueel bent?’ ‘Ja,
dat!’.
‘Natuurlijk, geen
probleem. Dan heeft Karin een wat genante inschattinsgfout gemaakt.’ En Karel
knipoogde weer. Oef, dat ging redelijk
vlot. Maar Karin dacht dus dat hij
homoseksueel was. Dacht iedereen dat op
de bank? Dachten ze dan dat hij zich
niet had durven uiten, dat hij daar misschien mee worstelde en daarom zijn job
had opgezegd? Jezus, wat een soep.
‘ Ik stel voor dat we
deze genante vertoning dan maar staken,’ stelde Joppe op een stoerdere toon
voor dan hij zich voelde. Karel leek
zich niet in het minst beledigd te voelen, al dronk hij wel erg snel zijn
laatste slok Kir op, strooide wat kleingeld met een zwierig gebaar en verliet
het pand. Joppe keek de Blonde God na en
vroeg zich af hoe Karin zich deze match had voorgesteld. Als hij heel eerlijk was, begreep hij het
misverstand ook wel. Hij, de eeuwige vrijgezel, met gelsloten doch gevoelige
inborst. Wie zou dan niet aan
homoseksualiteit denken. Lag het zo
eenvoudig maar! Hij was tot iets veel
hogers geroepen, een veel grotere taak: Said!
Hij stond op de
drempel van het klaslokaal aan de vloer genageld. Al die bleke gezichten, die grote blauwe ogen
die op hem gericht waren en door zijn kleren heen naar zijn olijfgroenig vel
staarden. De juffrouw wees hem een leeg
plekje helemaal vooraan in de klas. Hij kwam terecht naast een meisje met
blondje vlechten en vlekjes op haar neus.
Haar ogen waren staalgroen. Ze
keek hem even onderzoekend aan en gaf hem dan een klein rozig wit handje.
Hij nam het vast en vergat het vervolgens weer los te laten.
De hele morgen zat hij hand in hand met het meisje in de klas en zij
leek er geen bezwaar tegen te hebben.
Terwijl zij vreemde woorden nazegde die de juffrouw voorzei, zat hij uit
het raam te staren naar de tikkende regen op de speelplaats. De druppels plensden uit elkaar op de harde stenen
en vonden elkaar weer in diepe plassen die zich her en der op de speelplaats vormden.
Said beeldde zich in dat hij van de ene plas naar de andere sprong en dat zijn
opa achter hem aanzat: ‘Blijven springen, Said!
Sneller, Siad! Pas op dat de
plassen je niet naar beneden trekken naar de ondergrondse waterwereld. Want wie daar eenmaal is, geraakt nooit meer naar
boven. Wie daar terecht komt, zal zijn
leven lang moeten zwoegen, wil hij niet verzuipen in het water dat alsmaar komt
binnenstromen in de ondergrondse mijnen.
Onder de Schelde woont en werkt een heel leger ongelukkigen dat in de
diepe onderwaterse goudmijnen goud moet ontginnen om het in de rivier te
storten, zodat de mannen aan de kade gewoon het goud uit het water kunnen
scheppen met hun grote machtige kranen. En
dit leger moet vechten. Vechten tegen
het water alsmaar binnenstromende water, zwoegen tegen het water om datzelfde
water van goud te voorzien. Dacht je dat
alles zomaar vanzelf komt? Vergeet het
maar Said! Tegenover elke lust staat een
last, Said! Vegeet dat nooit. In naam van de rijkdom worden heel wat
mensenlevens opgeofferd. Zorg ervoor dat
jij niet geofferd wordt als een onschuldig lam.
Laat je niet slachten op de pijnbank van het geld. Dat verdien je niet, Said! Dat verdien je
niet!’ Said werd bang, doodsbenauwd kreeg hij het. Zou zijn vader in deze verschrikkelijke
onderwaterwereld werken, elke dag zwoegend om anderen rijk te maken en zelf
bijna te verdrinken? Mocht hij daarom
niet mee naar de haven? Omdat zijn vader
daar niet aan de juiste kant stond, niet aan de kade, maar diep onder de
grond?
‘Said, Said!’ zei de
juf wie weet hoeveel maal al. Ze brabbelde
iets in dat onverstaanbare Nederlands en keek naar hem. Weer zei de juf iets en zijn buurmeisje met
de blonde vlechten zei iets terug. Ach
ja, ze waren nog steeds woorden aan het nazeggen. Nu was het weer zijn buurt, de juf keek hem
strak aan. ‘Bom,’ zei hij, zoals hij het
meende gehoord te hebben. De hele klas
lachte. De juf bracht hen tot bedaren en
zei het woord nogmaals voor: ‘Boom’.
‘Boim’ zei hij zachtjes en hij hoorde dat het er nog niet helemaal naar
klonk, maar de juf leek tevreden, want ze liet hem verder met rust. Said spartelde de dag door en om half 4 stond
zijn moeder weer bij de poort, heel gewoon of hij niet net door de
allerakeligste hel was gegaan. Ze lachte
en zwaaide en toen hij zijn hoofd in haar rokken verborg, aaide ze hem zachtjes
sussend over het hoofd: ‘Morgen gaat het al een stukje beter en de dag daarna
nog een beetje en voor je het weet heb je nooit anders geweten en ben je
Marokko helemaal vergeten.’ Marokko
vergeten? Dat nooit. Misschien zou hij het hier stilaan gewoon
worden, maar ook dat betwijfelde hij. Zijn
plan om zo snel mogelijk terug te keren kreeg nog vastere vorm in zijn
zesjarige kinderbrein en bij wijze van bevestiging beet hij hard in zijn
moeders dijen. Ze gilde het uit en gaf
hem een tik rond zijn oren.
Moeder, ‘k ben wel ver van ’t land,
waar me het leven werd geschonken,
waar mijn eerste tranen blonken,
waar ik opwies aan uw hand...
van de knaap haar zorgen wijdde,
en hem lijfdrijk stond ter-zijde,
en hem ophief als hij viel...
schijnbaar scheurde, ‘tlot de banden
die ons bonden, wreed van –een.
Zo reciteerde Frits
op de theekrans bij de Rosemeyers, die in suiker doen, in Multatuli’s Max Havelaar. Migratie
scheurt kinderen uit hun land als een personage uit een boek. Neem nu deze
Frits uit de Max Havelaar, zonder de Max Havelaar is hij toch niemand meer,
heeft hij geen identiteit, weten we niets van hem. Pas in die roman krijgt hij
een verhaal. Zo gaat het ook met kinderen die met of tegen hun wil naar een
ander land migreren. Om de metafoor duidelijk door te trekken nemen we het
voorbeeld van roodkapje.
Stel je voor dat
roodkapje uit het sprookjesbos wordt geroofd en thee met dadels moet brengen in
één of ander zandland aan één of andere grootmoeder die ze niet kent, met wie
ze taal noch verhaal deelt. Weg is de afgebakende
dreiging van de wolf, weg zijn de platgetreden paden die ze moet
bewandelen. Alles is dreiging geworden,
deze hele nieuwe wereld lijkt voor Roodkapje één grote boze wolf, die haar niet
hebben wil, tenzij om haar te verslinden.
Het arme kind zal snel genoeg sterven in de onherbergzame woestijn. Haar
enige mogelijke redding is een warmhartig woestijnvolk dat haar de weg wijzen wil. Maar ook al zijn er zulke wegwijzers
voorhanden, die haar wijzen op mogelijke nieuwe wegen en levenswijzen, de
richtingsaanwijzers van haar geboorteland geraakt ze nooit meer kwijt, die zijn
voor altijd in haar huid gegrift, in haar hart, in haar handen, in haar tweemaal
daags gepoetste tanden. Zelfs al
vernieuwt elke cel van haar lichaam zich, toch zal er steeds een blauwdruk
worden doorgegeven, als een stempel die na duizend vellen nog niet verbleekt
is. En de leegte die roodkapje
achterliet in het sprookjesbos? Die zal snel genoeg worden opgevuld, door een
nieuw meisje, met een nieuw verhaal.
Terugkeren is onmogelijk, want alles zal herschreven zijn en al even
onbekend zijn geworden als dat ander land, dat onherbergzame zandland.
Joppes moeder
belde. Klagend, dat ze al in tijden haar
enige zoon niet meer gezien had. ‘Waarom
kwam hij nooit meer langs? Was hij zo
druk bezet dat hij de stad niet meer verlaten kon? Een beetje frisse lucht van op de buiten zou
hem nochtans deugd doen.’ Zijn moeder
woonde in een klein gehucht ten westen van Antwerpen, over ‘Het Water’ zoals
men dat zei. ‘Het Water’ was natuurlijk
‘de Schelde’ en men woonde ‘erover’ als men op de linkeroever woonde. ‘Erover’ wonen gold in de stad als een teken
van achtergesteldheid, want het echte leven speelde zich natuurlijk IN de stad
af. Maar genoeg over al die
voorzetsels. In, achter of over, feit
was dat in het dorp waar zijn moeder woonde het begrip ‘Katholiek Vlaanderen’
nog een vlag was die een lading dekte.
Hij hield de hoorn
zo’n 10 cm van zijn oor, zoals hij elke dag deed, zodat hij de litanie van
verwijten langs zich heen kon laten gaan, recht de eeuwigheid in.
‘Joppe?’ Ben je er nog?’
‘Ja moeder!’
‘Hoe gaat het met
jou?’ Is het nu al wat geworden tussen jou en die Karin?
‘Karin?’
‘Ja, Karin van op de
bank. Je moet een moeder haar zoon niet
leren kennen. Ik weet toch dat je al
lang een boontje voor haar hebt.’
‘Moeder ik zou willen
dat je je niet meer met mijn leven bemoeit!’
En hij gooide de
hoorn neer. Dat was snel gegaan. Het kortste gesprek ooit. Hij stond nog na te
trillen van zijn eigen daadkracht toen de telefoon opnieuw rinkelde.
13 keer. Wat dacht dat mens, dat hij nu nog zou
opnemen? Maar na de dertiende rinkel was
het niet zijn moeder die het antwoordapparaat bevuilde met haar zeurende
stemgeluid. Het was een ver en vreemd en
bovenal zachtmoedig geluid. Als vanuit
de buik van een walvis op de bodem van de zee sprak deze stem tegen hem:
‘Dag Joppe, heb je
even tijd om naar mijn verhaal te luisteren?’
En zonder zijn antwoord af te wachten stak de stem van wal.
‘Er was eens een
koopman die goed zijn brood verdiende,’ zei de zoetgevoisde stem. ‘Hij had een kleine kruidenierszaak en leefde
samen met zijn lieftallige moeder boven de winkel. Ze leefden daar in
volstrekte harmonie en de winkel werd een vaste waarde in de kleine
dorspgemeenschap. Na 7 voorspoedige
jaren wilde de koopman echter de wijde wereld intrekken. En omdat hij angstig was dat hij zou bevangen
worden door twijfel, hakte hij snel de knoop door. Hij verkocht zijn winkel en vertrok. Om haar niet te verontrusten had hij zijn
oude moeder niks verteld. De avond voor zijn vertrek bracht hij haar op de
hoogte en stelde hij de nieuwe koopman aan zijn moeder voor. Ze reageerde beminnelijk en begripvol. Na 7 jaar van moeilijke maar leerzame
omzwervingen in de wijde wereld, ging de verloren zoon zijn moeder weer
opzoeken. Ze omhelsde hem, maar wanneer
hij ‘s nachts te slapen lag, nam zij een gevulde kruik en sprenkelde het
water over hem uit, terwijl ze fezelend,
maar net luid genoeg opdat de goden haar konden horen, een vloek over haar zoon
uitsprak. Toen hij wakker werd, bleek
hij zo mak als een lammetje. Letterlijk
dan. Zijn bloedeigen moeder had hem
omgetoverd in een mak lam.’
De stem viel
weg. Joppe bleef naar het
antwoordapparaat staren. Hij drukte op
de terugspoelknop. Er stond niets op het
bandje. Was hij stillaan gek aan het worden?
Nam zijn fantasiewereld de overhand, was dit het risico van het
schrijversvak, overspoeld te worden door verhalen die van overal kwamen,
verhalen die zijn leven zouden gaan dicteren?
Waar zat hij met zijn zelfbewustzijn als zijn onbewuste via allerlei
sluipwegen de controle kon overnemen?
Moest hij luisteren naar die oncontroleerbare brij die verhalen in het
rondspoot als diarree, alsof het riooldeksel
van zijn innerlijke shit was gelicht?
Wat wilde dit via de telefoonlijn binnengeslopen strontverhaal hem
bijvoorbeeld zeggen? Dat hij het goed moest maken met zijn moeder, dat hij zich
schuldig diende te voelen dat hij haar nog steeds niet verteld had dat hij zijn
job had opgezegd of integendeel dat hij de macht van zijn moeder moest
ontvluchten, dat hij anders in een mak lam zou veranderen en nooit zelf de
controle zou krijgen, nooit het heft in eigen handen zou krijgen? Maar wat is dat het heft, waar zit het
handvat dat hij nu moet hanteren? Wilde hij dít toen hij zijn job opzegde? Overspoeld worden? Hij stokte, het duizelde hem: Karin, zijn
moeder, de vermeende homoseksualiteit, het lam dat hij dreigde te worden,
verhalen die achter elke hoek op de loer lagen om hem te overmeesteren, kleine
Said die hem uitlachte en hem de rug toekeerde. Het leek wel alsof diep in hem,
iets was losgebroken, iets wat hem, Joppe aan het uitlachen was.
Hij keerde terug naar
zijn schrijftafel om zijn demonen te bedwingen.
Discipline, dat was wat goed schrijverschap vroeg, dat was het handvat
zijner zelfcontrole. Hij schaamde zich
diep dat hij zich zo had laten overspoelen.
Waar was zijn oorspronkelijk aandrift tot redelijkheid? Het enige wat hem te doen stond, was zijn
verhaal schrijven over Said en zijn volwassenwording.