maandag 23 juli 2012

Joppe



Om klokslag 5 uur zat hij in Café Horta.  Als eerste, te sjofel voor het café, te opgedirkt om voor schrijver op een zolderkamer door te gaan. Vis noch vlees.  Hij voelde hoe de smaak van zijn eigen middelmatigheid van diep in zijn ingewanden naar boven borrelde en zich vast zette in een witte aanslag op zijn tong, met een kurkdroge mond  tot gevolg.  Karin kwam binnen met een Blonde God achter haar, perfect in driedelig pak, tandpastaglimlach en brillantine in het naar achter gekamde haar.  Het perfecte plaatje waar Joppe normaal gezien een hekel aan had, maar hij moest toegeven dat deze god iets sympathieks over zich had en hij leek een tikkeltje gay.  Misschien dat dat hem sympathiek maakte: liever een nette homo dan een gladde hetero.  Karin kwam enthousiast naar hem toegelopen: ‘Joppe, dit is Karel.  Karel, dit is Joppe. Voila, nu kennen jullie elkaar.  Ik zou heel graag blijven, maar ik heb afgesproken met mijn moeder en zij wacht niet graag.  Je weet hoe moeders zijn.  Veel plezier, jongens!’  En weg was jolige Karin.  En alleen waren de Blonde God en hij, de vleesgeworden middelmatigheid. 
Karel keek hem een beetje scheef lachend aan.  ‘Tja, we zullen er maar het beste van maken he!’  En hij knipoogde naar hem.  Hij knipoogde naar hém, Joppe!  Dacht Karin dat hij homoseksueel was?  Dat misverstand moest hij zo snel mogelijk de wereld weer uithelpen.  ‘Euh’, begon hij. 
‘Wacht even, Joppe, eerst even iets bestellen’, werd hij vlot onderbroken door de Blonde God.    ‘Voor mij een Kir, wat jij, Joppe?’  ‘Euh, doe maar een witte martini.’  Een witte martini, hoe kwam hij daar nu weer bij.  Witte martini-gay, gay, gay- ging zijn eigen alarmbel.  Niet aan denken, wegduwen, een normaal gesprek beginnen.
‘Hoe is het op de bank, wil het werk wat vlotten?’ vroeg hij aan de Blonde God. 
‘ Ja, super, dank je.  Je dossiers waren in een onberispelijke staat.  Je lijkt me een echte vakman!’
Oh neen, daar begon het vleien al. Hoewel hij wel oprecht leek.  Wat een vreemd figuur was deze Blonde God, glad als een aal en toch zo eerlijk.  Kon dat?  Of was die eerlijkheid een pose, een versiertruc om sjofele mannen in zijn bed te praten? Misschien zocht hij weer te veel achter de dingen.  Misschien was dit afspraakje echt bedoeld om van gedachten te wisselen over de job.  Maar wat kon hij deze man nog leren?  Deze Karel was duidelijk een veel beter verkoper dan hij en dat was toch wat ze eigenlijk waren: verkopers met een zekere vertrouwensfunctie.  Hij had altijd een soort raadsman voor de mensen willen zijn, maar als hij eerlijk was, was hij gewoon een slecht verkoper geweest.  Economisch gezien toch, moreel voelde hij zich steeds dat tikje meer dan zijn collega’s.  Kon hij daar over beginnen met deze Karel?  Een boompje opzetten over de uitwassen van het kapitalistische systeem leek wel erg ver weg van de realistische mogelijkheden. 
‘Karin zegt me altijd dat jij zo integer omging met de klanten, dat jij in eer en geweten nooit een klant hebt belazerd.  Dat fascineert me.’ 
Wat nu gedaan?  Een kapitalist op kousevoeten of was het een wolf in schaapskleren?  Dit was te gek voor woorden. 
‘Ik meen het hoor.  Het is een hele kunst om in dit vak jezelf te kunnen blijven en je niet te laten imponeren door de richtlijnen van hogerop.  Hoe doe jij dat?  Of hoe deed jij dat, mijn excuses.  Of wil je er liever niet meer over praten?’
 ‘Jawel natuurlijk, daarvoor zijn we toch hier. Ik vertrek gewoon van mezelf als ik mensen een bepaalde vorm van pensioensparen voorstel, excuseer, voorstelde. Ik word zelf niet graag bedrogen.  Dat houd ik me altijd voor.  Doe niet aan een ander, wat je zelf ook niet zou willen.  Ik vraag/vroeg me altijd af voor welke specifieke vorm van pensioensparen ik zou kiezen, mocht ik me in de financiële toestand van mijn cliënt bevinden en dan keek ik ook nog naar de persoonlijkheid, want het is niet omdat iemand de middelen heeft voor een risicovolle portefeuille dat die persoon dat ook emotioneel aankan. Dat is een moeilijke opgave en vraagt veel empathie.  Daarenboven heb je nog je eigen ideologische voorkeuren.  En die moeten, vind ik, ook te rijmen zijn met wat je je cliënten aanbiedt.  Mijn empathie is dus wel begrensd. Ik ga dus geen opties aanbieden die ik verwerpelijk vind. Ik vind niet dat mensen om maar het hoogst mogelijke pensioen op te bouwen hun geld moeten steken in allerlei multinationals die niet zuiver op de graat zijn, ik suggereer te investeren in kleine plaatselijke bedrijven, met goede arbeidsvoorwaarden en strenge milieurichtlijnen.’  Hij stond versteld van zijn eigen spraakvaardigheid.  Deze ideeën had hij nog nooit tegenover iemand uitgesproken of toch niet zo direct.  Hij hoopte maar dat Karel zijn mond hield tegen Karin.  Straks zou ze weer kunnen lachen met hem, ‘Joppe, de wereldverbeteraar met zijn principes’. ‘Daar ben ik dus jaloers op’, zei Karel.  ‘ Ik geloof niet dat ik veel principes heb als het aankomt op het aansmeren van contracten aan mijn cliënten.  Dat zit me echt een beetje dwars de laatste tijd.  Ik word bejubeld door de directie, maar voel me hoe langer hoe meer een marionet.  Tragisch eigenlijk.  Karin dacht dat jij me misschien wel zou kunnen helpen.  Ze heeft echt een hoge pet van je op, wist je dat?  Vind je haar ook zo’n schat?’ 
Een marionet, Karin die een hoge pet van hem op had....  Het duizelde Joppe een beetje. 
‘Ik zie dat ik je wat met mijn verhaal overval.  Je denkt misschien: wat heb ik hier mee te maken?  En dat is helemaal terecht, ik verlang ook niks van je.  Ik wilde gewoon eens van gedachten met jou wisselen, als jij dat ook wil natuurlijk. Opteer jij nooit voor de meest risicovolle portefeuilles?’  ‘Nooit is een groot woord maar in ieder geval heel zelden en dan duid ik mijn cliënten heel helder op de risico’s en ik geef het daarenboven  alleen als optie als het gaat om mensen die zich grote risico’s kunnen permitteren.  Dan bied/bood ik het dus wel soms aan. Het is als bankbediende immers ook nog je taak om de economie mee draaiende te houden.  Daar kan je nooit helemaal onderuit. Als je daar niet tegen kan, dan moet je er uit stappen.  Wat ik uiteindelijk heb gedaan.’  Deze laatste zin fluisterde hij bijna, zo genegeerd voelde hij zich om zoveel openheid.  Karel leek het niet te merken en ging gewoon verder met hem te complimenteren, wat hem nog meer in de verlegenheid bracht. 
‘Jij hebt echt overal een antwoord op.  Weet je dat ik dat verschrikkelijk knap van je vind?’
Dit was gewoon verleidingspraat, dat kon niet anders.  Eerst werd hij verleid tot het uiten van zijn meest intieme gedachten en nu werd hij erom geroemd.  Hij moest die geslepen Blonde God nu stoppen. 
‘Joppe’ en de Blonde God nam Joppes hand vast, ‘ik zie dat ik je in verlegenheid breng en dat is echt niet de bedoeling.  Ik weet dat Karin stiekem hoopt dat het tussen ons iets word, maar ik kan je verzekeren dat ik daar niet van uitga, dat ik hier vooral ben op professionele basis ben en geen verlangens in een andere richting koester.  Of toch voorlopig niet.’  En weer een knipoog. 
Joppe dacht dat hij ter plekke door de grond zou zinken.  Hier zat hij dan in de verkeerde outfit hand in hand met een verkeerde man.  Hoe moest hij zich hier uit redden?  Waren alle homoseksuelen zo open, zo direct als deze Karel hier? 
‘Karel’, begon hij moeizaam, ‘ik ben niet zo, niet zo, je weet wel, zoals jij.’ 
‘Je bedoelt dat je niet homoseksueel bent?’  ‘Ja, dat!’. 
‘Natuurlijk, geen probleem. Dan heeft Karin een wat genante inschattinsgfout gemaakt.’ En Karel knipoogde weer.  Oef, dat ging redelijk vlot.  Maar Karin dacht dus dat hij homoseksueel was.  Dacht iedereen dat op de bank?  Dachten ze dan dat hij zich niet had durven uiten, dat hij daar misschien mee worstelde en daarom zijn job had opgezegd?  Jezus, wat een soep. 
‘ Ik stel voor dat we deze genante vertoning dan maar staken,’ stelde Joppe op een stoerdere toon voor dan hij zich voelde.  Karel leek zich niet in het minst beledigd te voelen, al dronk hij wel erg snel zijn laatste slok Kir op, strooide wat kleingeld met een zwierig gebaar en verliet het pand.  Joppe keek de Blonde God na en vroeg zich af hoe Karin zich deze match had voorgesteld.  Als hij heel eerlijk was, begreep hij het misverstand ook wel. Hij, de eeuwige vrijgezel, met gelsloten doch gevoelige inborst.  Wie zou dan niet aan homoseksualiteit denken.  Lag het zo eenvoudig maar!  Hij was tot iets veel hogers geroepen, een veel grotere taak: Said! 
Hij stond op de drempel van het klaslokaal aan de vloer genageld.  Al die bleke gezichten, die grote blauwe ogen die op hem gericht waren en door zijn kleren heen naar zijn olijfgroenig vel staarden.  De juffrouw wees hem een leeg plekje helemaal vooraan in de klas. Hij kwam terecht naast een meisje met blondje vlechten en vlekjes op haar neus.  Haar ogen waren staalgroen.  Ze keek hem even onderzoekend aan en gaf hem dan een klein rozig wit  handje.  Hij nam het vast en vergat het vervolgens weer  los te laten.  De hele morgen zat hij hand in hand met het meisje in de klas en zij leek er geen bezwaar tegen te hebben.  Terwijl zij vreemde woorden nazegde die de juffrouw voorzei, zat hij uit het raam te staren naar de tikkende regen op de speelplaats.  De druppels plensden uit elkaar op de harde stenen en vonden elkaar weer in diepe plassen die zich her en der op de speelplaats vormden. Said beeldde zich in dat hij van de ene plas naar de andere sprong en dat zijn opa achter hem aanzat: ‘Blijven springen, Said!  Sneller, Siad!  Pas op dat de plassen je niet naar beneden trekken naar de ondergrondse waterwereld.  Want wie daar eenmaal is, geraakt nooit meer naar boven.  Wie daar terecht komt, zal zijn leven lang moeten zwoegen, wil hij niet verzuipen in het water dat alsmaar komt binnenstromen in de ondergrondse mijnen.  Onder de Schelde woont en werkt een heel leger ongelukkigen dat in de diepe onderwaterse goudmijnen goud moet ontginnen om het in de rivier te storten, zodat de mannen aan de kade gewoon het goud uit het water kunnen scheppen met hun grote machtige kranen.  En dit leger moet vechten.  Vechten tegen het water alsmaar binnenstromende water, zwoegen tegen het water om datzelfde water van goud te voorzien.  Dacht je dat alles zomaar vanzelf komt?  Vergeet het maar Said!  Tegenover elke lust staat een last, Said!  Vegeet dat nooit.  In naam van de rijkdom worden heel wat mensenlevens opgeofferd.  Zorg ervoor dat jij niet geofferd wordt als een onschuldig lam.  Laat je niet slachten op de pijnbank van het geld.  Dat verdien je niet, Said! Dat verdien je niet!’ Said werd bang, doodsbenauwd kreeg hij het.  Zou zijn vader in deze verschrikkelijke onderwaterwereld werken, elke dag zwoegend om anderen rijk te maken en zelf bijna te verdrinken?  Mocht hij daarom niet mee naar de haven?  Omdat zijn vader daar niet aan de juiste kant stond, niet aan de kade, maar diep onder de grond? 
‘Said, Said!’ zei de juf wie weet hoeveel maal al.  Ze brabbelde iets in dat onverstaanbare Nederlands en keek naar hem.  Weer zei de juf iets en zijn buurmeisje met de blonde vlechten zei iets terug.  Ach ja, ze waren nog steeds woorden aan het nazeggen.  Nu was het weer zijn buurt, de juf keek hem strak aan. ‘Bom,’  zei hij, zoals hij het meende gehoord te hebben.  De hele klas lachte.  De juf bracht hen tot bedaren en zei het woord nogmaals voor: ‘Boom’.  ‘Boim’ zei hij zachtjes en hij hoorde dat het er nog niet helemaal naar klonk, maar de juf leek tevreden, want ze liet hem verder met rust.  Said spartelde de dag door en om half 4 stond zijn moeder weer bij de poort, heel gewoon of hij niet net door de allerakeligste hel was gegaan.  Ze lachte en zwaaide en toen hij zijn hoofd in haar rokken verborg, aaide ze hem zachtjes sussend over het hoofd: ‘Morgen gaat het al een stukje beter en de dag daarna nog een beetje en voor je het weet heb je nooit anders geweten en ben je Marokko helemaal vergeten.’  Marokko vergeten?  Dat nooit.  Misschien zou hij het hier stilaan gewoon worden, maar ook dat betwijfelde hij.  Zijn plan om zo snel mogelijk terug te keren kreeg nog vastere vorm in zijn zesjarige kinderbrein en bij wijze van bevestiging beet hij hard in zijn moeders dijen.  Ze gilde het uit en gaf hem een tik rond zijn oren. 

Moeder, ‘k ben wel ver van ’t land,
waar me het leven werd geschonken,
waar mijn eerste  tranen blonken,
waar ik opwies aan uw hand...
van de knaap haar zorgen wijdde,
en hem lijfdrijk stond ter-zijde,
en hem ophief als hij viel...
schijnbaar scheurde, ‘tlot de banden
die ons bonden, wreed van –een.

Zo reciteerde Frits op de theekrans bij de Rosemeyers, die in suiker doen,  in Multatuli’s Max Havelaar.   Migratie scheurt kinderen uit hun land als een personage uit een boek. Neem nu deze Frits uit de Max Havelaar, zonder de Max Havelaar is hij toch niemand meer, heeft hij geen identiteit, weten we niets van hem. Pas in die roman krijgt hij een verhaal. Zo gaat het ook met kinderen die met of tegen hun wil naar een ander land migreren. Om de metafoor duidelijk door te trekken nemen we het voorbeeld van roodkapje.      
Stel je voor dat roodkapje uit het sprookjesbos wordt geroofd en thee met dadels moet brengen in één of ander zandland aan één of andere grootmoeder die ze niet kent, met wie ze taal noch verhaal deelt.  Weg is de afgebakende dreiging van de wolf, weg zijn de platgetreden paden die ze moet bewandelen.  Alles is dreiging geworden, deze hele nieuwe wereld lijkt voor Roodkapje één grote boze wolf, die haar niet hebben wil, tenzij om haar te verslinden.  Het arme kind zal snel genoeg sterven in de onherbergzame woestijn. Haar enige mogelijke redding is een warmhartig woestijnvolk dat haar de weg wijzen wil.  Maar ook al zijn er zulke wegwijzers voorhanden, die haar wijzen op mogelijke nieuwe wegen en levenswijzen, de richtingsaanwijzers van haar geboorteland geraakt ze nooit meer kwijt, die zijn voor altijd in haar huid gegrift, in haar hart, in haar handen, in haar tweemaal daags gepoetste tanden.  Zelfs al vernieuwt elke cel van haar lichaam zich, toch zal er steeds een blauwdruk worden doorgegeven, als een stempel die na duizend vellen nog niet verbleekt is.  En de leegte die roodkapje achterliet in het sprookjesbos? Die zal snel genoeg worden opgevuld, door een nieuw meisje, met een nieuw verhaal.  Terugkeren is onmogelijk, want alles zal herschreven zijn en al even onbekend zijn geworden als dat ander land, dat onherbergzame zandland. 
Joppes moeder belde.  Klagend, dat ze al in tijden haar enige zoon niet meer gezien had.  ‘Waarom kwam hij nooit meer langs?  Was hij zo druk bezet dat hij de stad niet meer verlaten kon?  Een beetje frisse lucht van op de buiten zou hem nochtans deugd doen.’  Zijn moeder woonde in een klein gehucht ten westen van Antwerpen, over ‘Het Water’ zoals men dat zei.  ‘Het Water’ was natuurlijk ‘de Schelde’ en men woonde ‘erover’ als men op de linkeroever woonde.  ‘Erover’ wonen gold in de stad als een teken van achtergesteldheid, want het echte leven speelde zich natuurlijk IN de stad af.  Maar genoeg over al die voorzetsels.  In, achter of over, feit was dat in het dorp waar zijn moeder woonde het begrip ‘Katholiek Vlaanderen’ nog een vlag was die een lading dekte.
Hij hield de hoorn zo’n 10 cm van zijn oor, zoals hij elke dag deed, zodat hij de litanie van verwijten langs zich heen kon laten gaan, recht de eeuwigheid in.
‘Joppe?’  Ben je er nog?’
‘Ja moeder!’
‘Hoe gaat het met jou?’ Is het nu al wat geworden tussen jou en die Karin?
‘Karin?’
‘Ja, Karin van op de bank.  Je moet een moeder haar zoon niet leren kennen.  Ik weet toch dat je al lang een boontje voor haar hebt.’
‘Moeder ik zou willen dat je je niet meer met mijn leven bemoeit!’ 
En hij gooide de hoorn neer.  Dat was snel gegaan.  Het kortste gesprek ooit. Hij stond nog na te trillen van zijn eigen daadkracht toen de telefoon opnieuw rinkelde.
13 keer.  Wat dacht dat mens, dat hij nu nog zou opnemen?  Maar na de dertiende rinkel was het niet zijn moeder die het antwoordapparaat bevuilde met haar zeurende stemgeluid.  Het was een ver en vreemd en bovenal zachtmoedig geluid.  Als vanuit de buik van een walvis op de bodem van de zee sprak deze stem tegen hem:
‘Dag Joppe, heb je even tijd om naar mijn verhaal te luisteren?’  En zonder zijn antwoord af te wachten stak de stem van wal.
‘Er was eens een koopman die goed zijn brood verdiende,’ zei de zoetgevoisde stem.  ‘Hij had een kleine kruidenierszaak en leefde samen met zijn lieftallige moeder boven de winkel. Ze leefden daar in volstrekte harmonie en de winkel werd een vaste waarde in de kleine dorspgemeenschap.  Na 7 voorspoedige jaren wilde de koopman echter de wijde wereld intrekken.  En omdat hij angstig was dat hij zou bevangen worden door twijfel, hakte hij snel de knoop door.  Hij verkocht zijn winkel en vertrok.  Om haar niet te verontrusten had hij zijn oude moeder niks verteld. De avond voor zijn vertrek bracht hij haar op de hoogte en stelde hij de nieuwe koopman aan zijn moeder voor.  Ze reageerde beminnelijk en begripvol.  Na 7 jaar van moeilijke maar leerzame omzwervingen in de wijde wereld, ging de verloren zoon zijn moeder weer opzoeken.  Ze omhelsde hem, maar wanneer hij ‘s nachts te slapen lag, nam zij een gevulde kruik en sprenkelde het water  over hem uit, terwijl ze fezelend, maar net luid genoeg opdat de goden haar konden horen, een vloek over haar zoon uitsprak.  Toen hij wakker werd, bleek hij zo mak als een lammetje.  Letterlijk dan.  Zijn bloedeigen moeder had hem omgetoverd in een mak lam.’
De stem viel weg.  Joppe bleef naar het antwoordapparaat staren.  Hij drukte op de terugspoelknop.  Er stond niets op het bandje. Was hij stillaan gek aan het worden?  Nam zijn fantasiewereld de overhand, was dit het risico van het schrijversvak, overspoeld te worden door verhalen die van overal kwamen, verhalen die zijn leven zouden gaan dicteren?  Waar zat hij met zijn zelfbewustzijn als zijn onbewuste via allerlei sluipwegen de controle kon overnemen?  Moest hij luisteren naar die oncontroleerbare brij die verhalen in het rondspoot als diarree, alsof het  riooldeksel van zijn innerlijke shit was gelicht?  Wat wilde dit via de telefoonlijn binnengeslopen strontverhaal hem bijvoorbeeld zeggen? Dat hij het goed moest maken met zijn moeder, dat hij zich schuldig diende te voelen dat hij haar nog steeds niet verteld had dat hij zijn job had opgezegd of integendeel dat hij de macht van zijn moeder moest ontvluchten, dat hij anders in een mak lam zou veranderen en nooit zelf de controle zou krijgen, nooit het heft in eigen handen zou krijgen?  Maar wat is dat het heft, waar zit het handvat dat hij nu moet hanteren? Wilde hij dít toen hij zijn job opzegde?  Overspoeld worden?  Hij stokte, het duizelde hem: Karin, zijn moeder, de vermeende homoseksualiteit, het lam dat hij dreigde te worden, verhalen die achter elke hoek op de loer lagen om hem te overmeesteren, kleine Said die hem uitlachte en hem de rug toekeerde. Het leek wel alsof diep in hem, iets was losgebroken, iets wat hem, Joppe aan het uitlachen was.   
Hij keerde terug naar zijn schrijftafel om zijn demonen te bedwingen.  Discipline, dat was wat goed schrijverschap vroeg, dat was het handvat zijner zelfcontrole.  Hij schaamde zich diep dat hij zich zo had laten overspoelen.  Waar was zijn oorspronkelijk aandrift tot redelijkheid?  Het enige wat hem te doen stond, was zijn verhaal schrijven over Said en zijn volwassenwording.