vrijdag 22 september 2017

De vrouw die nooit NEE zei


Er was eens een vrouw die geen ‘NEE’ kon zeggen.  Dit had grote gevolgen voor haar welzijn: bij de bakker stak iedereen haar voor, bij de slager liet ze het vlees van haar brood eten door kinderen die om een vleesje jengelden en op haar werk liet ze promoties aan zich voorbijgaan, kreeg ze het slechtste werkrooster en zette ze koffie voor degene die daarom vroeg. 

Op een dag had haar baas er schoon genoeg van en hij stuurde haar op ‘Hoe zeg ik NEE?’- cursus.  Ze leerde er heel erg hard NEE roepen en stampen op de grond.  Het putte haar totaal uit, maar de lesgever zei dat dit normaal was in het begin en dat ze er na een tijdje  wel aan zou wennen.  Het idee achter het harde roepen en stampen was dat het in de buitenwereld onder de niet-aflatende druk van de wedijverende verlangens van anderen vanzelf wel zou afzwakken tot een vriendelijke nee.  En zo geschiedde het.

Ze oefende haar eerste aarzelende ‘NEE’ bij de bakker.  Toen een man haar vroeg of zij nu aan de beurt was, zei ze zachtjes:  ‘Euh nee, ik ben wel zeker dat u meer gehaast bent dan ik, het is uw beurt.’  ‘ Dankjewel’, zei de man, ‘ik was me er niet van bewust dat ik er zo gehaast uitzag.’

Ook op het werk lukte het haar zo nu en dan om nee te zeggen.  Toen een collega haar vroeg of ze misschien een kopje koffie wilde, zei ze resoluut: ‘Nee, volgens mij heb jij die koffie veel meer nodig dan ik, ik zal er wel om gaan!’  ‘Zie ik er dan zo moe uit?’ vroeg de collega verrast.  ‘Dat valt wel mee, maar je verdient wel een koffietje, dat zie ik wel.’

Na ongeveer een jaar lang oefenen in het ‘nee’-zeggen, was de verandering opmerkelijk.  Zelfs haar naam was veranderd.  Ze heette nu de vrouw die ALTIJD nee zei.  Ze vond dan ook dat de tijd rijp was.  Ze zou gaan aanschuiven voor het concert van het jaar.  Dit concert was elk jaar op één dag uitverkocht en dus had ze nooit de moeite genomen om aan te schuiven.  Nu voelde ze er zich klaar voor.

Heel vroeg in de ochtend arriveerde ze om aan te schuiven.  Ze was de tiende in de rij.  Hier kon niets misgaan.  Toen een paar uur later de ticketbalie opende, was ze echter al teruggezakt naar de 95ste plaats.  Maar ze stond er nog steeds goed voor, er waren immers  300 tickets te koop.    Een uur later stond ze echter op plaats 135 en nog een uur later op plaats 189.  Toen ze nog een paar uur later op plaats 301 dreigde te belanden, sprak nummer 300 haar  aan. 

‘Bent u niet die vrouw die me ooit voorliet in de bakker, omdat ik er zo gehaast uit zag?’ ‘Nee, nee, ik denk dat u zich vergist’, zei de vrouw die ALTIJD nee zei.  ‘Nee, zei de man, zo komt u er niet vanaf, ik weet wel zeker dat u het was en ik zie in uw ogen dat u meer naar dit concert verlangt dan ik.  Ik heb het al ontelbare keren meegemaakt. Neemt u mijn plaats maar.’ ‘Dankjewel’, zei de vrouw die  normaal ALTIJD nee zei. Toen draaide nummer 299 zich om: ‘U heeft uw plaats eens aan mij afgestaan toen ik helemaal afgepeigerd de bus opkwam.  Gaat u maar voor, ik sta erop!’  Nummer 298 herinnerde het zich nog als gisteren toen hij samen met haar 50 euro op straat had gevonden en zij erop had gestaan om ze aan te nemen, omdat hij het zoveel meer nodig leek te hebben. En dus liet hij haar nu voorgaan. Nummer 297 bleek een oud-collega aan wie ze haar promotie had afgestaan: ze liet haar voorgaan. En zo ging het maar door: één voor één draaiden de mensen zich naar haar om en lieten haar voorgaan.  Het was alsof de mensenzee zich voor haar opende  tot een erehaag en onder steeds luider aanzwellende juichende kreten, schreed ze naar voren als was ze een koningin. 

Ze kwam aan bij de ticketbalie: Nummer 102.  Wilt u een zit- of een staplaats?    Doe maar een zitplaats.  Dan kan ik mijn plaats afstaan aan iemand die het meer nodig heeft dan ik.

En zo genoot ze een paar dagen later van het concert van het jaar, ergens helemaal achteraan in een uithoekje van de zaal met een klein gebarsten glaasje water in haar hand en de overwinningsroes in haar hoofd.  De muziek had nog nooit zo mooi geklonken. 

woensdag 6 januari 2016

Feniks



Hij had gecirkeld.  Boven mijn hoofd. Alsof hij daar een aureool had willen tekenen.  Een soort feniksachtige vogel: een rood verendek, een helder lied, een bijzondere vlucht. Kortom een mythische vogel.  En hij had mij uitverkoren. Toen die dag, toen ik pas met mijn moeder uit de kraamkliniek kwam en ik voor het eerst in mijn ledikantje werd gelegd.  In de tuin.  Waar anders! De zon had geschenen bij mijn thuiskomst.  En nog niet zo’n beetje ook. Een verzengende hitte was het geweest en daar had die feniks mooi ingepast. Zo ging de legende.

Want een legende was het uiteraard.  Onwaar, overdreven en mij toegedicht om mij een waas van bijzonderheid te verlenen die ik uiteraard altijd zeer verdacht heb gevonden.  Welke schuld roerde er zich in mijn moeders hart dat ze zo’n dwaas en verheven verhaal moest verzinnen?  Voorvoelde ze een zeker onheil?  Vond ze het sneu voor mij, de jongste van drie zussen te zijn, en gaf ze me daarom dit verhaal mee als een soort pantser tegen de vrijwel zekere plagerijen die mij te beurt zouden vallen? Ik vermoed dit laatste, want als jongste van drie zussen had ik het inderdaad niet onder de markt.  Getreiterd, gepest, gekoeioneerd.  Een typisch geval van zusterlijke rivaliteit.  Kleintje was steevast de naam die ik te dragen of zeg maar te torsen had.  En ik draag hem nog steeds.  Maar ik ben net 18 geworden en moet kiezen wat ik ga studeren.  Ik overweeg iets rebels.  Het nest verbranden. Zoiets. Maar eerst is er bezoek.  Mijn twee zussen komen langs.  En niet voor de meest blijde gebeurtenis. 
Mama is ziek. Zoals dat gaat in verhalen en ook wel in het echt.  Voor mij is het dus echt.  Voor jullie alleen maar een verhaal.  Zo gaat dat met dingen die gebeuren.  Alleen dingen die jezelf overkomen zijn echt.  Dingen die anderen overkomen zijn ‘alleen maar’ een verhaal. Je kan je erin inleven, empathie betonen en het bijna echt beleven.  Maar echt echt is echt nog wel iets anders.  Dat kan ik je verzekeren.  Het is anders je eigen moeder te verliezen dan die van je beste vriendin.  Maar dat is wellicht een open deur… Jammer genoeg wandelen straks door diezelfde open deur mijn zusjes naar binnen om heel zusterlijk het leed samen te dragen.   Vooral mijn oudste zus is onuitstaanbaar.  Zoals ik de naam Kleintje draag, draagt zij de naam Zus.  Ook een zware last, dat geef ik graag toe en ook grif en waarachtig.   Het is een naam vol verantwoordelijkheid en belangrijkheid en dat laat ze te pas en te onpas horen via haar te grote mond die uiteraard haar te kleine hart moet verdoezelen.  Zus heet dus Zus. Terwijl Kleintje; dat betekent vanzelfsprekend geen verantwoordelijkheid, klein blijven, speels, naïef, een mamaskindje.  Alsof. Schijn kan bedriegen. 
 Maar daarover later meer.

Eerst de middelste zus. Ze heet Lies.  Geen bijnaam. Gewoon haar eigen naam. De middelste valt altijd wat tussen wal en schip en is dus door de mazen van het familiale ekitettenpretnet gekropen.  Ze staat op het punt te trouwen.  Met een man uit Pakistan.  Lieve man.  Mooie man.  Ik snap waarom ze voor hem valt, wat ze in hem ziet.  Maar het valt te bezien of die mooie lieve snoet geen valstrik is en het manssubject ribbedebie is zodra het gepapierewier in orde is. Ik hoop voor haar van niet.  Want Lies is eigenlijk wel best te pruimen. Zij is degene die voor me opkomt in ons familiale wespennest en als ze niet zo’n irritante zedenpreekster zou zijn, zou ik haar bijna sympathiek vinden. Bijna en natuurlijk stiekem, want oprechte liefdesuitingen zijn bij ons zeldzaam, laat staan expliciet.  Dus gelieve, discreet om te gaan met deze informatie….

woensdag 7 oktober 2015

Ze praten


Ze praten. De franjes van mijn mama’s schoenen.  Waar ze geweest zijn die dag.  Op het werk bijvoorbeeld, onder haar bureau.  Daar is het zo donker, zeker als de schoenen, na wat nonchalant bungelen aan mama’s voeten uiteindelijk in een grimmig hoekje onder dat bureau terechtkomen.  Er wordt onvoldoende gepoetst daar, dat kan ik je wel zeggen. 

Als het zo’n dag is geweest, dan zie ik dat meteen, de franjes hebben al hun franjes verloren.  Dan weet ik: dit is een avond van luisteren, van niet te veel zeggen ook, want al wat ik zeg, kan in een verkeerd keelgat schieten en dan zijn de poppen aan het dansen en heb ik dagenlang ‘s avonds niemand meer om tegen te praten.  Behalve mijn poppen dan.  Maar dat is saai.  Alle kinderen praten met hun poppen. Ik niet, dus.

Soms zie ik de franjes de hele dag, dat zijn topdagen.  Samen naar de dierentuin bijvoorbeeld.  De vissen, daar zijn ze echt fan van, dan bollen ze hun leren lapjes tot mooie o’tjes: o-o-oooh!
Soms ook blijven ze thuis, zelfs al is mama weg.  Als mama uitgaat bijvoorbeeld, dan draagt ze geen franjes, maar laarsjes, met hoge hakken.  Dat vind ik wel een beetje gemeen van haar en dus troost ik de franjes als mama weer eens op de lappen gaat. 

Gelukkig gebeurt dat niet zoveel.  Mama ligt vaak in de lappenmand ‘s avonds.  Ze is moe.  Dan kijken de franjes en ik in wederzijdse verstandhouding naar elkaar: waarvan?  Van het zitten aan een bureau?  Dat vinden wij dan grappig.  En daar moet mama dan ook om lachen. Ze noemt me dan wel eens gekkie.  Alsof. Nee hoor, ze weet het niet van onze geheime babbeltjes.

Soms ergert ze zich als ik lach.  Omdat ze zo moe is, denk ik dan.  Maar eigenlijk weet ik het niet.  De franjes weten het ook niet.  Soms smokkel ik ze mee in mijn slaapkamer.  Dat vindt papa niet zo leuk.  Dan zet hij de schoenen in bad.  Alsof die dat leuk vinden.  Alleen in dat koude bad.  Gelukkig zet hij de kraan niet open.  Ik weet niet goed op wie hij dan boos is: op mij, op mama of op de schoenen.  Misschien is hij wel boos op zichzelf. Dat heb ik ook.  Soms. 

Gisteren was er geen land mee te bezeilen.  ‘Wat bezielt jullie toch?’, vroeg ik nog.  Tot de franjes naar de zool van de linkerschoen wezen.  Een gat, zo groot als mama’s dikke teen.  We werden er stil van.  En dachten aan mama’s teen en de kou die die weldra zou gaan voelen.  De volgende dag gaf ik mama dikke sokken.  Ze keek me lief aan en ook wel verstrooid.  Alsof er toch een belletje ergens leek te rinkelen in dat warrige hoofd.  Gelukkig deed ze wel de sokken aan. De toekomst van mijn vrienden is voorlopig veilig.

Hoewel. Met mama weet je nooit.  Soms kiepert ze ineens iets in de vuilnisbak, zonder aankondiging.  Dat maakt me bang. Zo moeten ze zich voelen als ze weer eens aan haar voeten bungelen: beland ik vandaag in een grimmig hoekje of niet?  Ik begrijp de franjes beter dan de voeten die ze moeten omkransen.

Vandaag was mama vrolijk.  Waarschijnlijk omdat ze zo’n warme voeten had.  Warme voeten, warm hart.  Dat zegt mijn opa altijd.  Nu pas begrijp ik hem.  Opa is een slimme man. Hij noemt mij één van de franjes van zijn leven: een versierseltje, een krulletje, ik maak zijn wereld een beetje mooier.  Mama zegt dat opa zich beetje bij beetje in zijn eigen wereld terugtrekt.  ‘Is het daar donker?’ heb ik haar gevraagd.  ‘Nee, dat denk ik niet’, zei ze.  ‘En wordt er daar wel goed gepoetst?’  ‘Ja, er wordt een beetje te goed gepoetst, denk ik’, antwoordde mama.  ‘Oef’, zei ik, ‘dat is dan toch al dat.’  ‘Ja, dat is nogal wat.’     

vrijdag 12 december 2014

Weer naar Roderick


Zijn moeder had hem heel erg gewild.  Zoveel was duidelijk. Zo schreef hij het op in zijn dagboek.  Net zeventien geworden en al blijk vertonend van een pril psychologisch inzicht was hij een dagboek begonnen.  Een dagboek, dat kwam ook romantisch over en een romantisch aura, dat was een troef als het om meisjes ging.  En voor hem ging het om meisjes.  Hij was zeventien en een bom vol hormonen. 

Wat zou hij nog toevertrouwen aan zijn dagboek: Een liefdesgedicht? Een gesublimeerd platonisch gedicht of de bestiale verzinnelijking van wat hij in zijn lijf aan gevoelens waarnam? Zoiets…? Zinloos, besloot hij. Het hele wijde net stond er vol van, daar had hij niets eigens aan toe te voegen. Zijn hormonale oprisping was wel geheel eigen, zeg maar lichaamseigen, maar weinig origineel.  Geen exorbitante uitspattingen, geen seksueel deviant gedrag, noch een sporadisch orgietje hier of daar. Gewoon het verlangen naar een lief en een bevredigend seksueel leven.  Dat was het.  

Geen liefdesgedichten dus, uitroepteken!  Hij zou eerlijk gezegd ook niet weten aan wie hij die zou moeten richten.  Tot nog toe was zijn nieuwe vrijgekomen energie eerder van het stuurloze soort.  Hij begeerde wel eens een meisje, maar was vooralsnog niet op roverstocht gegaan.  Was het een gebrek aan moed of een gebrek aan verliefdheid?  Daar stond hij voorlopig nog niet bij stil.  Ook niet bij het feit dat hij misschien uit lafheid een dagboek was begonnen in plaats van de koe bij de hoorns te vatten of nog beter bij haar smakelijke uier.   Het hormonaal ontwaken leidt in de dierenwereld tot paren, in de mensenwereld heel vaak tot dagboeken.  Dat zou zijn eerste lief, een wereldwijs wichtje van 19, drie jaar later tegen hem zeggen, toen ze de stapels en stapels dagboeken opmerkte in zijn studentenkamertje. 

Goed.  Dit is dus het verhaal van Roderick en hoe hij gedurende drie eenzame jaren de liefde in zijn dagboeken bedreef om uiteindelijk gestrikt te worden door… nee niet door een jonkvrouw.  Het is niet omdat hij Roderick heet dat we in dat soort sfeer zitten. Dat Roderick-heten had alles met zijn liefhebbende moeder te maken.  Maar daarover later meer.  We beginnen bij het begin.  Zijn dagboek.  Begonnen op 12 december 2014. 

Beste Dagboek,
12/12/2014

Mijn moeder heeft mij heel erg gewild, zoveel is duidelijk. 
Geen liefdesgedichten!!!!
Gewoon een dagboek omdat meisjes daardoor geïntrigeerd zijn.  En ondertussen kan ik hier absolute nonsens schrijven.  Dat maakt geen fuck uit.  Al beschreef ik het volgende level van world of warcraft.  Een dagboek is geheim en helemaal van mij!  Geen slap romantisch geleuter hier.   Maar wat dan wel?  Ik ga toch niet echt world of warcraft beschrijven, dan kan ik het spel beter gaan spelen.  Eens kijken. Wat heb ik vandaag gedaan?  Naar school geweest.

Tot daar.  Hier onderbreken we zijn dagboek.  Te saai voor woorden, literair, psychologisch totaal oninteressant.  Wees blij dat hij voor een dagboek koos en niet voor een blog.  Dat hij dat op de een of andere manier wel had aangevoeld, dat hij zo belangwekkend niet was.  Op zich al uitzonderlijk voor een 17-jarige puber, dat inzicht te hebben.  De doorsnee 17-jarige puber is vandaag wel zo narcistisch te denken dat een eigen blog van levensbelang is en eigenlijk heeft die puber gelijk: voor hem of haar ís die blog van levensbelang. 

Weer naar Roderick.   

donderdag 21 november 2013

De loopplank


De loopplank verbindt kant noch wal
ze ligt daar maar
zwaar en onverlegbaar in een plas.
De haven is verlaten.
Het is wachten.

Tot de lente komt
en de zon haar stralen
ment,
die de winter doen
bezwijken. 
Een barst in het ijs:
een plas,
geen plas,
een plank. 

Maar niet onaangetast. 
Teveel over-gelopen. 

zondag 7 april 2013

Ze gingen om dingen.


5uur ’s morgens, zijn moeder wekte hem.  Met een gevoel van opwinding liet hij zich in zijn kleren hijsen.  Dit was de laatste dag in hun dorpje Berkane; de laatste dag dat hij voor achterlijk werd uitgescholden, omdat hij uit een dorp kwam en niet uit de stad: Oujda.  Europa wachtte op hem, het land van overvloed, niemand was er achterlijk, laat staan: arm.  Iedereen had er een computer én een auto. Soms meer dan één auto per gezin, soms meer dan één computer per gezin. Soms moest wellicht vervangen worden door ‘vaak’, ‘meestal’. Nog gezwegen over smartphones, Ipads en meer van dat technologisch goud. Hij zou nooit meer naar Marokko terugkomen of toch niet zonder GSM, zoveel was zeker.  Hoewel hij  pas vijf was, wist hij die dingen: ze gingen om dingen naar België.
Maar eerst naar Cueta, het Spaanse Marokko.  En daar zouden ze de boot nemen. Ongelooflijk!  In een paar uur tijd konden ze Europa bereiken.  Waarom hadden ze in hemelsnaam zo lang gewacht?  Marokkaanse Kafka, het antwoord.  Ook dat wist Said, nee hij wist niets over Kafka, maar wel dat het moeilijk was in Marokko, om iets te regelen, en zeker om er uit weg te gaan. 
De hele boottocht lang bleef Said in het ruim van de boot staan wachten-wachten-wachten.  Het ruim leek op een soort garage in de boot, een onderzeese garage, afgesloten door massieve, ijzeren en hemelhoge poorten.  Straks zouden die poorten opengaan, de poorten naar het paradijs.  Hij voelde het schip vaart minderen, de motoren rammelden en dan kwam de boot, met een schokje, hoe kan het ook anders, tot stilstand.  Nu, dacht Siad, nu!  En hij sprak de legendarisch-magische woorden: ‘Sesam, open u’.  Het werkte.  De poorten gingen open en Said kreeg een fantastisch uitzicht op de haven van Algeciras, de blauwe kranen stonden er als trotse grijparmen, klaar om het goud uit de zee te scheppen.  Dit was Europa.  Fier stond hij vanuit het ruim te kijken. Zijn borst zwol, de wind blies door zijn kleine hemdje. Hij dacht met onwankelbare trots aan zijn grootvader, die hem verteld had hoe deze kust er moest uitzien.  Zijn grootvader was nooit uit hun dorp geweest, maar hij kende de verhalen en dus kende ook Said de verhalen.  Maar nu was het voor Said geen verhaal meer, het was werkelijkheid geworden. 

De werkelijkheid stelt altijd teleur als de verwachtingen te hoog gespannen zijn.  De werkelijkheid moest het onderspit delven voor de verbeeldingskracht van opa’s verhalen. Het land van melk en honing, de schatkamer Europa die Said heel zijn leven zou kunnen voeden, bleek minder gastvrij dan hij het zich verbeeld had.  Was zijn grootvader een leugenaar? Dat zou de vraag zijn die langzamerhand zou rijzen en die niet mocht rijzen.  Een grootvader diende namelijk gerespecteerd en dus geloofd te worden. De kiem voor een hoop tegenstrijdige emoties was gelegd.  Die kiem heette: migratie.  Het begon allemaal met een  lange en vooral ellendige treinreis doorheen Spanje en Frankrijk naar België.  De trein was misschien comfortabeler dan een trein in Marokko, maar heel zeker wist Said dat niet, want hij had nooit met de trein gereisd in Marokko.  Opa wel, heel vaak was hij naar Marakkech gereisd om handel te drijven.  Dan kwam hij beladen met handtassen, sloffen en djelabba’s terug thuis en die spullen verkocht hij op de soek, bij hen  in het dorp, Berkane.  Over het Djemaa el Fna-plein kon zijn grootvader honderduit vertellen.  Over de slangenbezweerders vooral, ze konden slangen laten dansen en één keer had opa in de ogen van één van de slangenbezweerders gekeken en vervolgens had hij de hele dag door de Soek gedanst.  Pas tegen de avond was de bezwering uitgewerkt.  Het had zo fantastisch geklonken.  Zijn opa dansend door de soeks, spullen oppikkend alsof het niks was.  
De treinrit duurde uren en uren en Saids moeder gaf hem zoete koeken om de tijd te doden en zijn honger te stillen, maar echt doden deed  het de tijd niet en ook zijn Europese honger naar goud en andere dingen liet een onvulbare holte na in zijn buik.  Said was te zenuwachtig.  Te nerveus om zijn vader in de Antwerpse haven te zien, kijken hoe papa het goud met die blauwe kraanarmen uit de zee schepte of was het eerder ‘schiep’.  Maar hoe verder landinwaarts ze reden, hoe mistroostiger hij werd en hoe harder de twijfel  aan de holte in zijn buik kwam knagen. Hij krabde over die buik en dacht na.  Wat was geloofwaardiger; blauwe goudkranen of een soekdansende opa?
Bij elke grensovergang stapte er een soort agent in de trein die in een onverstaanbare taal vroeg om hun papieren te bekijken.  Ze keken kwaad, die agenten, en hoe meer ze naar het noorden gingen, hoe kwader ze keken.  In België aangekomen had hij alle hoop verloren.  Het zag er droevig uit, dit land, het regende en de mensen op de trein zwegen.  Nergens werd gelachen of gezongen, nergens werden er verhalen verteld.  Iedereen zat netjes voor zich uit te staren, sommigen wiegend op de muziek die in hun oren ruiste, anderen keken om de zoveel tijd op hun GSM, alsof dat de tijd zou doen versnellen.  Het leek wel alsof er onzichtbare muren waren gemetseld tussen al die mensen en iedereen leek dat goed te vinden, normaal, niemand was bereid een steentje te verleggen om eens aardig naar hem, Said, te knikken.   ‘Mama’, vroeg hij met een krak in zijn stem, ‘wil je me een verhaal vertellen?’  Zijn moeder keek hem een beetje ongelukkig aan en zei dat ze daar nu niet meer de energie voor had.  Ook zijn moeder was dus al besmet, haar hersenen waren gaan slapen.  Zij was als iedereen op de trein; moe en ongelukkig.  Maar waarom waren al deze mensen zo?  Hij vroeg het aan de vrouw over hem in de trein:  ‘Waarom bent u ongelukkig?’  Ze brak even haar muur af, keek hem vernietigend aan, nam haar spullen en ging twee plaatsen verder zitten, terwijl ze zorgvuldig haar muur weer opbouwde en een laptop bovenhaalde.  Wauw! Hij bleef naar haar staren, toen ze ook nog een grote koptelefoon over haar hoofd op haar oren plantte.  Wauw, ze zat zomaar op de trein een film te zien!  Zijn moeder trok aan zijn mouw en keek nog vernietigender dan de vrouw die over hem had gezeten en nu  een film aan het bekijken was.  Hij werd bang.  Zijn moeder was op een paar uur tijd van een lieve, altijd zingende moeder veranderd in een verbitterde oude heks.  Hij was bang om zijn vader terug te zien.  Hoe zou zijn vader zijn geworden die hij al 3 jaar niet meer had gezien en van wie hij zich nauwelijks kon herinneren hoe hij eruit zag? 
De trein kwam tot stilstand en weer kwam zo’n soort agent de trein op om hun papieren te bekijken.  Later pas zou hij het woord leren voor zo'n man: kaartjesknipper of conducteur. Zijn moeder sprak in een rare taal tegen de agent en zei tegen  Said:  ‘We moeten opstaan Said, de volgende halte is de onze.’  De trein kwam langzaam tot stilstand, een laatste keer.  Een man met donkere baard stond hen op te wachten.  Zijn vader.  Hij werd omhelsd en opgetild.  Papa leek kleiner dan in zijn herinnering, maar zijn ogen waren nog even donker en lachte vriendelijk naar hem. Said vroeg: ‘Gaan we naar de haven?’ Zijn vader lachte, vandaag niet, jongen.  Vandaag gaan we naar huis.  Morgen gaan we naar de haven; morgen!   

maandag 5 november 2012


Als jij opstaat, zal ik zingen.
 
Als jij opstaat, zal ik zingen.
Voor wie zing je dan?
Voor jou.
Als ik opsta, zal jij zingen?
Ja.
Voor wie?
Voor jou. 
Als ik opsta, zal jij zingen?
Ja.
Voor mij?
Ja.
Als ik opsta, zal jij zingen?
Ja.
Alleen voor mij?
Ja.
Wat zing je dan? 
Een parel.
Voor mij?
Nee.
Niet voor mij?
Nee.
Voor wie dan?
Voor de zwijnen. 
Voor de zwijnen?
Ja.
Waarom?
Omdat jij bent opgestaan.
Omdat ik ben opgestaan?
Ja. 
Zonder mij.