Er was eens
een vrouw die geen ‘NEE’ kon zeggen. Dit
had grote gevolgen voor haar welzijn: bij de bakker stak iedereen haar voor, bij
de slager liet ze het vlees van haar brood eten door kinderen die om een
vleesje jengelden en op haar werk liet ze promoties aan zich voorbijgaan, kreeg
ze het slechtste werkrooster en zette ze koffie voor degene die daarom
vroeg.
Op een dag
had haar baas er schoon genoeg van en hij stuurde haar op ‘Hoe zeg ik NEE?’- cursus. Ze leerde er heel erg hard NEE roepen en
stampen op de grond. Het putte haar
totaal uit, maar de lesgever zei dat dit normaal was in het begin en dat ze er na
een tijdje wel aan zou wennen. Het idee achter het harde roepen en stampen
was dat het in de buitenwereld onder de niet-aflatende druk van de wedijverende
verlangens van anderen vanzelf wel zou afzwakken tot een vriendelijke nee. En zo geschiedde het.
Ze oefende haar
eerste aarzelende ‘NEE’ bij de bakker.
Toen een man haar vroeg of zij nu aan de beurt was, zei ze
zachtjes: ‘Euh nee, ik ben wel zeker dat
u meer gehaast bent dan ik, het is uw beurt.’
‘ Dankjewel’, zei de man, ‘ik was me er niet van bewust dat ik er zo
gehaast uitzag.’
Ook op het
werk lukte het haar zo nu en dan om nee te zeggen. Toen een collega haar vroeg of ze misschien
een kopje koffie wilde, zei ze resoluut: ‘Nee, volgens mij heb jij die koffie
veel meer nodig dan ik, ik zal er wel om gaan!’
‘Zie ik er dan zo moe uit?’ vroeg de collega verrast. ‘Dat valt wel mee, maar je verdient wel een
koffietje, dat zie ik wel.’
Na ongeveer
een jaar lang oefenen in het ‘nee’-zeggen, was de verandering opmerkelijk. Zelfs haar naam was veranderd. Ze heette nu de vrouw die ALTIJD nee
zei. Ze vond dan ook dat de tijd rijp
was. Ze zou gaan aanschuiven voor het
concert van het jaar. Dit concert was
elk jaar op één dag uitverkocht en dus had ze nooit de moeite genomen om aan te
schuiven. Nu voelde ze er zich klaar
voor.
Heel vroeg
in de ochtend arriveerde ze om aan te schuiven.
Ze was de tiende in de rij. Hier
kon niets misgaan. Toen een paar uur
later de ticketbalie opende, was ze echter al teruggezakt naar de 95ste
plaats. Maar ze stond er nog steeds goed
voor, er waren immers 300 tickets te
koop. Een uur later stond ze echter op plaats 135 en
nog een uur later op plaats 189. Toen ze
nog een paar uur later op plaats 301 dreigde te belanden, sprak nummer 300 haar
aan.
‘Bent u niet
die vrouw die me ooit voorliet in de bakker, omdat ik er zo gehaast uit zag?’
‘Nee, nee, ik denk dat u zich vergist’, zei de vrouw die ALTIJD nee zei. ‘Nee, zei de man, zo komt u er niet vanaf, ik
weet wel zeker dat u het was en ik zie in uw ogen dat u meer naar dit concert
verlangt dan ik. Ik heb het al ontelbare
keren meegemaakt. Neemt u mijn plaats maar.’ ‘Dankjewel’, zei de vrouw die normaal ALTIJD nee zei. Toen draaide nummer
299 zich om: ‘U heeft uw plaats eens aan mij afgestaan toen ik helemaal
afgepeigerd de bus opkwam. Gaat u maar
voor, ik sta erop!’ Nummer 298
herinnerde het zich nog als gisteren toen hij samen met haar 50 euro op straat
had gevonden en zij erop had gestaan om ze aan te nemen, omdat hij het zoveel
meer nodig leek te hebben. En dus liet hij haar nu voorgaan. Nummer 297 bleek
een oud-collega aan wie ze haar promotie had afgestaan: ze liet haar voorgaan.
En zo ging het maar door: één voor één draaiden de mensen zich naar haar om en
lieten haar voorgaan. Het was alsof de
mensenzee zich voor haar opende tot een
erehaag en onder steeds luider aanzwellende juichende kreten, schreed ze naar
voren als was ze een koningin.
Ze kwam aan
bij de ticketbalie: Nummer 102. Wilt u
een zit- of een staplaats? Doe maar
een zitplaats. Dan kan ik mijn plaats
afstaan aan iemand die het meer nodig heeft dan ik.
En zo genoot
ze een paar dagen later van het concert van het jaar, ergens helemaal achteraan
in een uithoekje van de zaal met een klein gebarsten glaasje water in haar hand
en de overwinningsroes in haar hoofd. De
muziek had nog nooit zo mooi geklonken.
