donderdag 21 november 2013

De loopplank


De loopplank verbindt kant noch wal
ze ligt daar maar
zwaar en onverlegbaar in een plas.
De haven is verlaten.
Het is wachten.

Tot de lente komt
en de zon haar stralen
ment,
die de winter doen
bezwijken. 
Een barst in het ijs:
een plas,
geen plas,
een plank. 

Maar niet onaangetast. 
Teveel over-gelopen. 

zondag 7 april 2013

Ze gingen om dingen.


5uur ’s morgens, zijn moeder wekte hem.  Met een gevoel van opwinding liet hij zich in zijn kleren hijsen.  Dit was de laatste dag in hun dorpje Berkane; de laatste dag dat hij voor achterlijk werd uitgescholden, omdat hij uit een dorp kwam en niet uit de stad: Oujda.  Europa wachtte op hem, het land van overvloed, niemand was er achterlijk, laat staan: arm.  Iedereen had er een computer én een auto. Soms meer dan één auto per gezin, soms meer dan één computer per gezin. Soms moest wellicht vervangen worden door ‘vaak’, ‘meestal’. Nog gezwegen over smartphones, Ipads en meer van dat technologisch goud. Hij zou nooit meer naar Marokko terugkomen of toch niet zonder GSM, zoveel was zeker.  Hoewel hij  pas vijf was, wist hij die dingen: ze gingen om dingen naar België.
Maar eerst naar Cueta, het Spaanse Marokko.  En daar zouden ze de boot nemen. Ongelooflijk!  In een paar uur tijd konden ze Europa bereiken.  Waarom hadden ze in hemelsnaam zo lang gewacht?  Marokkaanse Kafka, het antwoord.  Ook dat wist Said, nee hij wist niets over Kafka, maar wel dat het moeilijk was in Marokko, om iets te regelen, en zeker om er uit weg te gaan. 
De hele boottocht lang bleef Said in het ruim van de boot staan wachten-wachten-wachten.  Het ruim leek op een soort garage in de boot, een onderzeese garage, afgesloten door massieve, ijzeren en hemelhoge poorten.  Straks zouden die poorten opengaan, de poorten naar het paradijs.  Hij voelde het schip vaart minderen, de motoren rammelden en dan kwam de boot, met een schokje, hoe kan het ook anders, tot stilstand.  Nu, dacht Siad, nu!  En hij sprak de legendarisch-magische woorden: ‘Sesam, open u’.  Het werkte.  De poorten gingen open en Said kreeg een fantastisch uitzicht op de haven van Algeciras, de blauwe kranen stonden er als trotse grijparmen, klaar om het goud uit de zee te scheppen.  Dit was Europa.  Fier stond hij vanuit het ruim te kijken. Zijn borst zwol, de wind blies door zijn kleine hemdje. Hij dacht met onwankelbare trots aan zijn grootvader, die hem verteld had hoe deze kust er moest uitzien.  Zijn grootvader was nooit uit hun dorp geweest, maar hij kende de verhalen en dus kende ook Said de verhalen.  Maar nu was het voor Said geen verhaal meer, het was werkelijkheid geworden. 

De werkelijkheid stelt altijd teleur als de verwachtingen te hoog gespannen zijn.  De werkelijkheid moest het onderspit delven voor de verbeeldingskracht van opa’s verhalen. Het land van melk en honing, de schatkamer Europa die Said heel zijn leven zou kunnen voeden, bleek minder gastvrij dan hij het zich verbeeld had.  Was zijn grootvader een leugenaar? Dat zou de vraag zijn die langzamerhand zou rijzen en die niet mocht rijzen.  Een grootvader diende namelijk gerespecteerd en dus geloofd te worden. De kiem voor een hoop tegenstrijdige emoties was gelegd.  Die kiem heette: migratie.  Het begon allemaal met een  lange en vooral ellendige treinreis doorheen Spanje en Frankrijk naar België.  De trein was misschien comfortabeler dan een trein in Marokko, maar heel zeker wist Said dat niet, want hij had nooit met de trein gereisd in Marokko.  Opa wel, heel vaak was hij naar Marakkech gereisd om handel te drijven.  Dan kwam hij beladen met handtassen, sloffen en djelabba’s terug thuis en die spullen verkocht hij op de soek, bij hen  in het dorp, Berkane.  Over het Djemaa el Fna-plein kon zijn grootvader honderduit vertellen.  Over de slangenbezweerders vooral, ze konden slangen laten dansen en één keer had opa in de ogen van één van de slangenbezweerders gekeken en vervolgens had hij de hele dag door de Soek gedanst.  Pas tegen de avond was de bezwering uitgewerkt.  Het had zo fantastisch geklonken.  Zijn opa dansend door de soeks, spullen oppikkend alsof het niks was.  
De treinrit duurde uren en uren en Saids moeder gaf hem zoete koeken om de tijd te doden en zijn honger te stillen, maar echt doden deed  het de tijd niet en ook zijn Europese honger naar goud en andere dingen liet een onvulbare holte na in zijn buik.  Said was te zenuwachtig.  Te nerveus om zijn vader in de Antwerpse haven te zien, kijken hoe papa het goud met die blauwe kraanarmen uit de zee schepte of was het eerder ‘schiep’.  Maar hoe verder landinwaarts ze reden, hoe mistroostiger hij werd en hoe harder de twijfel  aan de holte in zijn buik kwam knagen. Hij krabde over die buik en dacht na.  Wat was geloofwaardiger; blauwe goudkranen of een soekdansende opa?
Bij elke grensovergang stapte er een soort agent in de trein die in een onverstaanbare taal vroeg om hun papieren te bekijken.  Ze keken kwaad, die agenten, en hoe meer ze naar het noorden gingen, hoe kwader ze keken.  In België aangekomen had hij alle hoop verloren.  Het zag er droevig uit, dit land, het regende en de mensen op de trein zwegen.  Nergens werd gelachen of gezongen, nergens werden er verhalen verteld.  Iedereen zat netjes voor zich uit te staren, sommigen wiegend op de muziek die in hun oren ruiste, anderen keken om de zoveel tijd op hun GSM, alsof dat de tijd zou doen versnellen.  Het leek wel alsof er onzichtbare muren waren gemetseld tussen al die mensen en iedereen leek dat goed te vinden, normaal, niemand was bereid een steentje te verleggen om eens aardig naar hem, Said, te knikken.   ‘Mama’, vroeg hij met een krak in zijn stem, ‘wil je me een verhaal vertellen?’  Zijn moeder keek hem een beetje ongelukkig aan en zei dat ze daar nu niet meer de energie voor had.  Ook zijn moeder was dus al besmet, haar hersenen waren gaan slapen.  Zij was als iedereen op de trein; moe en ongelukkig.  Maar waarom waren al deze mensen zo?  Hij vroeg het aan de vrouw over hem in de trein:  ‘Waarom bent u ongelukkig?’  Ze brak even haar muur af, keek hem vernietigend aan, nam haar spullen en ging twee plaatsen verder zitten, terwijl ze zorgvuldig haar muur weer opbouwde en een laptop bovenhaalde.  Wauw! Hij bleef naar haar staren, toen ze ook nog een grote koptelefoon over haar hoofd op haar oren plantte.  Wauw, ze zat zomaar op de trein een film te zien!  Zijn moeder trok aan zijn mouw en keek nog vernietigender dan de vrouw die over hem had gezeten en nu  een film aan het bekijken was.  Hij werd bang.  Zijn moeder was op een paar uur tijd van een lieve, altijd zingende moeder veranderd in een verbitterde oude heks.  Hij was bang om zijn vader terug te zien.  Hoe zou zijn vader zijn geworden die hij al 3 jaar niet meer had gezien en van wie hij zich nauwelijks kon herinneren hoe hij eruit zag? 
De trein kwam tot stilstand en weer kwam zo’n soort agent de trein op om hun papieren te bekijken.  Later pas zou hij het woord leren voor zo'n man: kaartjesknipper of conducteur. Zijn moeder sprak in een rare taal tegen de agent en zei tegen  Said:  ‘We moeten opstaan Said, de volgende halte is de onze.’  De trein kwam langzaam tot stilstand, een laatste keer.  Een man met donkere baard stond hen op te wachten.  Zijn vader.  Hij werd omhelsd en opgetild.  Papa leek kleiner dan in zijn herinnering, maar zijn ogen waren nog even donker en lachte vriendelijk naar hem. Said vroeg: ‘Gaan we naar de haven?’ Zijn vader lachte, vandaag niet, jongen.  Vandaag gaan we naar huis.  Morgen gaan we naar de haven; morgen!