Hij had gecirkeld. Boven mijn hoofd. Alsof hij daar een aureool
had willen tekenen. Een soort
feniksachtige vogel: een rood verendek, een helder lied, een bijzondere vlucht.
Kortom een mythische vogel. En hij had mij
uitverkoren. Toen die dag, toen ik pas met mijn moeder uit de kraamkliniek kwam
en ik voor het eerst in mijn ledikantje werd gelegd. In de tuin.
Waar anders! De zon had geschenen bij mijn thuiskomst. En nog niet zo’n beetje ook. Een verzengende
hitte was het geweest en daar had die feniks mooi ingepast. Zo ging de legende.
Want een legende was het uiteraard. Onwaar, overdreven en mij toegedicht om mij
een waas van bijzonderheid te verlenen die ik uiteraard altijd zeer verdacht
heb gevonden. Welke schuld roerde er
zich in mijn moeders hart dat ze zo’n dwaas en verheven verhaal moest
verzinnen? Voorvoelde ze een zeker
onheil? Vond ze het sneu voor mij, de
jongste van drie zussen te zijn, en gaf ze me daarom dit verhaal mee als een
soort pantser tegen de vrijwel zekere plagerijen die mij te beurt zouden
vallen? Ik vermoed dit laatste, want als jongste van drie zussen had ik het inderdaad
niet onder de markt. Getreiterd, gepest,
gekoeioneerd. Een typisch geval van
zusterlijke rivaliteit. Kleintje was
steevast de naam die ik te dragen of zeg maar te torsen had. En ik draag hem nog steeds. Maar ik ben net 18 geworden en moet kiezen
wat ik ga studeren. Ik overweeg iets
rebels. Het nest verbranden. Zoiets. Maar
eerst is er bezoek. Mijn twee zussen
komen langs. En niet voor de meest
blijde gebeurtenis.
Mama is ziek. Zoals dat gaat in verhalen en
ook wel in het echt. Voor mij is het dus
echt. Voor jullie alleen maar een
verhaal. Zo gaat dat met dingen die
gebeuren. Alleen dingen die jezelf
overkomen zijn echt. Dingen die anderen
overkomen zijn ‘alleen maar’ een verhaal. Je kan je erin inleven, empathie
betonen en het bijna echt beleven. Maar
echt echt is echt nog wel iets anders.
Dat kan ik je verzekeren. Het is
anders je eigen moeder te verliezen dan die van je beste vriendin. Maar dat is wellicht een open deur… Jammer
genoeg wandelen straks door diezelfde open deur mijn zusjes naar binnen om heel
zusterlijk het leed samen te dragen. Vooral
mijn oudste zus is onuitstaanbaar. Zoals
ik de naam Kleintje draag, draagt zij de naam Zus. Ook een zware last, dat geef ik graag toe en
ook grif en waarachtig. Het is een naam
vol verantwoordelijkheid en belangrijkheid en dat laat ze te pas en te onpas
horen via haar te grote mond die uiteraard haar te kleine hart moet verdoezelen. Zus heet dus Zus. Terwijl Kleintje; dat
betekent vanzelfsprekend geen verantwoordelijkheid, klein blijven, speels,
naïef, een mamaskindje. Alsof. Schijn kan bedriegen. Maar daarover later meer.
Eerst de middelste zus. Ze heet Lies. Geen bijnaam. Gewoon haar eigen naam. De
middelste valt altijd wat tussen wal en schip en is dus door de mazen van het
familiale ekitettenpretnet gekropen. Ze
staat op het punt te trouwen. Met een
man uit Pakistan. Lieve man. Mooie man.
Ik snap waarom ze voor hem valt, wat ze in hem ziet. Maar het valt te bezien of die mooie lieve
snoet geen valstrik is en het manssubject ribbedebie is zodra het gepapierewier
in orde is. Ik hoop voor haar van niet.
Want Lies is eigenlijk wel best te pruimen. Zij is degene die voor me
opkomt in ons familiale wespennest en als ze niet zo’n irritante zedenpreekster
zou zijn, zou ik haar bijna sympathiek vinden. Bijna en natuurlijk stiekem,
want oprechte liefdesuitingen zijn bij ons zeldzaam, laat staan expliciet. Dus gelieve, discreet om te gaan met deze
informatie….