Ze
zou het nooit gedaan hebben, mocht haar zoon in de buurt geweest zijn. Dat klinkt een beetje flauw natuurlijk, ze
kon toch niet alle verantwoordelijkheid van zich afschuiven en op haar enige
zoon projecteren! Nee, dat kan niet en
dat mag niet, maar voor haar werkte het nu eenmaal zo. Ze was niet langer een
moeder in functie en in haar binnenste, in een klein kamertje in haar lichaam
was een deurtje opengegaan. En door dat
deurtje was een geile vrouw naar buiten geklommen die het gekwetste moederhart
had aangegrepen om zich te manifesteren en de moeder buiten te gooien ten voordele
van de minnares. De minnares in haar was weer opgestaan, noodgedwongen, uit
eenzaamheid, doelloosheid. Plotsklaps,
zo op een avond. Ze dacht dat ze de hoer
in zichzelf de dag dat Joppe geboren was, de nek had omgedraaid. Voor haar
waren het immers twee elkaar uitsluitende categorieën, moeder en hoer. Zo was ze ook opgevoed. Ze was een klassiek geval van kleinburgerlijke indoctrinatie.
Haar vader was onderwijzer geweest in de
katholieke normaalschool en haar moeder
bereidde de communikantjes van de parochie voor op hun plechtige communie.
Vooral haar vader was erg streng geweest, hij zag de katholieke normaalschool
als de kweekvijver voor het enige ware gedachtegoed: de katholieke leer. Hij nam het woord 'katholiek' meer in de mond dan het woord 'hallo'. Jeanne had het eens geturfd in haar opstandige puberjaren. In die katholieke normaalschool dus, werden onderwijzers gevormd tot
plichtbewuste en strikte leerkrachten.
Jeanne, zo heette Joppes moeder, had de opleiding tot onderwijzeres bij
haar vader gevolgd en was doordrongen van ‘plicht en deugdelijkheid’ als enige
redmiddel tegen de zondige natuur van de mens.
Ze had weliswaar een poosje
geworsteld met de katholieke deugdelijkheid van haar ouders en dus was er een
periode geweest van losbandigheid, een
periode waarin ze mannen versierde in Café Den Ondank en ze zonder scrupules
met een tiental van hen het bed deelde.
Zo was zij plotsklaps alleenstaande moeder geworden en met het
moederschap was het goed fatsoen weer in haar opgestaan en werd ze een nog
grotere moraalridder dan haar moeder en zelfs dan haar vader. Ze verafschuwde
het mannelijke geslacht, omdat zij hun verantwoordelijkheid niet durfden
opnemen en liever op vrijersvoeten bleven dan zich te vestigen als vader van haar
kind. Dat ze geen van de mannen had
laten weten wie de vader kon zijn, vond zij geen excuus. Een echte man zou het vaderschap voelen als
een soort roeping. Wederom was dit een afschuiving van de eigen verantwoordelijkheid, die liet ze maar al te graag in de mannelijke schoenen van het dorp glijden.
Dit wekte irritatie op onder de dorpsgenoten
en dus vertoonde ze zich niet meer in Café den Ondank, maar eens te meer in de kerk
waar ze de eerste vrouwelijke lekenpastor werd. Wat voor haar, voor Jeanne
spreekt, is dat ze wellicht niet anders kon.
Opgevoed in een engdenkende familie met veel autoriteit en weinig
vrijheid, wist ze de vrijheid van de volwassenheid niet te hanteren en verwerd
ze tot een karikatuur van haar eigen goedebedoelende, maar wat kortzichtige ouders. De enige man in
haar leven was Joppe, een verkleining van Job, van het Boek Job uit de Bijbel,
de onschuldige die lijdt onder de willekeur van God...
Nu,
na 30 jaar van seksuele onthouding vond ze uiteindelijk weer een man in haar
bed. Ze had een voorgevoel gehad die
vrijdagavond, de avond voordat haar Joppe op bezoek zou komen. Normaal zou ze de avond voor zijn komst al in
actie schieten. Ramen lappen, bed
verschonen, zijn lievelingspyjama klaarhangen.
Dat soort dingen. Deze keer zag
ze de zin er niet van in. Joppe was al
meer dan een half jaar niet meer langs geweest.
En elke keer had ze zich stoer gehouden en het gebruikelijke
voorbereidingsritueel uitgevoerd. Elke
keer, tot nu. Nu wilde ze niet
meer. Haar lijf wilde niet uit de zetel
opstaan om zijn plicht te doen. Haar lijf wilde nog enkel uit de zetel opstaan
om iets wilds te doen, iets onconventioneels vrij en wild!
Ze was naar Café Den ondank gegaan en
ontdekte dat de rode gordijnen, de neonverlichting achter de toog, noch de
muziek waren veranderd. Alleen het
publiek was veranderd. Vroeger was dit een jongerencafé geweest, maar het café
was meegegroeid met zijn cliënteel en dus had het cafépubliek de gemiddelde
leeftijd van de middelbare leeftijd. Het
publiek was dus eigenlijk misschien nog het minst van al veranderd. Nog steeds dezelfde mannen en vrouwen. En dat publiek keek dan ook vreemd op, toen
het Jeanne opmerkte. ‘He Jeanne, de weg
kwijtgespeeld?’ vroeg Tuur van achter de toog.
‘Nee, ze is eerder van de goede weg af’, grapte Filip en hij wees naar haar rode lippenstift.
Jeanne deed of ze het niet hoorde en bestelde
liefjes een rode porto waarna ze zich in een hoek van het café zette. Nog geen 10 minuten later vroeg ene Richard haar
ten dans. Salsa, ze kende de dans niet,
maar hij nam de tijd om het haar te leren en die aandacht deed haar helemaal
wegsoezelen en onder het bewonderend oog van de cafégangers danste ze de
jarenlange voor zichzelf opgeworpen terreur van zich af. En ze belandde met Richard in bed en voelde
zich weer 20, maar dit keer hoefde zich geen zorgen te maken over een mogelijke
zwangerschap, over mogelijke verantwoordelijkheden en dus bleven haar
fatsoensnormen veilig weggeborgen. Of
toch voorlopig. Een week lang leefde ze
in zonde met haar Richard, die overdag gitaar speelde en sigaretten rookte en
‘s avonds Jeanne in bed te grazen nam.
Een week lang beleefden ze hun wittebroodsweken en roddelde het dorp er op
los. De heilige Jeanne was teruggekeerd
naar haar losbandig leven. Als dat maar goed ging. De zevende losbandige dag stond haar zoon
voor de deur.
In peignoir stond ze hem
te woord, maar ze liet hem niet binnen.
‘Mama, je doet zo raar, waarom laat je me niet binnen?’ ‘Maar, je had toch helemaal niet gezegd dat
je vandaag zou komen.’ ‘Mama, wat doe je
raar?’ ‘Jeanne, wie is daar’, riep een
mannenstem uit het huis. Joppe stond
perplex en keek zijn moeder vragend aan.
Ze opende zuchtend de deur en Joppe stormde de keuken in waar Richard in
bloot bovenlijf wortels stond te raspen. Hij zat helemaal onder het wortelsap
en grinnikte naar Joppe: “Jij moet Joppe zijn en stak hem zijn bonkige hand
toe.” Joppe voelt een diepe woede in zich opborrelen. Oh, wat wilde hij dat hij even kon verdwijnen
in de sprookjes van 1001 nacht en daar betoverd water kon stelen om er deze
grijze rocker mee te besprenkelen, zodat hij in niets minder dan een vuile
straathond kon veranderen. En oh, wat
verafschuwde hij zijn moeder die na al die jaren toch de lasterpraatjes van het
dorp bleek waar te maken. En voor hij
het wist stond hij te schelden als een dolle hond en klemde zijn moeder zich
vast rond zijn maaiende armen. Hij beet
in haar omklemmende arm en riep, woest: “En wie is deze man. Eén van mijn zovele potentiële vaders? Waar haal je het recht vandaan om mij een
vader te misgunnen en van zodra ik je even de rug toekeer toch dat gehate
mannelijke geslacht op te zoeken? Wat ben ik dan, je stand-in-man?”
“Nee,
Joppe, je bent mijn zoon. En je mag dat
zo allemaal niet bekijken. Als moeder alleen had ik gewoon geen tijd om een man
te zoeken en nu kwam die ruimte er plots wel.
Ik heb je nooit als stand-in gezien.
Jij bent…” En zijn moeder zakte als een pudding, waarvan iemand het
velletje had afgeschraapt, in elkaar en Richard raapte de pudding op, deed haar
het moedervel weer om en stak haar in bed.
Joppe belandde alleen aan de keukentafel, dronk thee en staarde uit het
raam en keek nergens naar, zoals dat gaat bij staren. Richard kwam er bij zitten: “Ze is wat
gekalmeerd nu. Jij?” “Mwa.” Stilte.
Een ongemakkelijke stilte, zoals een stilte alleen maar kan zijn tussen
twee rivalen, nadat het bindmiddel er tussen uit is geknepen.
“Het
was gewoon liefde op het eerste gezicht”, begon Richard om de boel te
lijmen. Joppe barstte in lachen uit. “Komaan man, dat wil ik toch allemaal niet
horen. Als mijn moeder van bil wil gaan,
dan is dat haar zaak. Bespaar me je
zoete praatjes.” Weer een stilte, minder
lang deze keer, maar nog ongemakkelijker. “Maar Joppe, ik heb het echt goed
voor met je moeder en misschien kan ik wel de vader voor je zijn die je altijd
hebt gemist.” Joppe bekeek de overjaarse rocker naast hem. Weer een geval van een uiterlijk dat niet
paste bij de inhoud. Eerst Karel, de
sympathieke gladde aal. Dan Karin, het
intelligente domme blondje en nu deze rocker.
Het uiterlijk van een rocker gebruiken als dekmantel voor het ergste
soort pastoor of therapeut. Hij bedankte ervoor.
