maandag 24 september 2012

Jeanne


Ze zou het nooit gedaan hebben, mocht haar zoon in de buurt geweest zijn.  Dat klinkt een beetje flauw natuurlijk, ze kon toch niet alle verantwoordelijkheid van zich afschuiven en op haar enige zoon projecteren!  Nee, dat kan niet en dat mag niet, maar voor haar werkte het nu eenmaal zo. Ze was niet langer een moeder in functie en in haar binnenste, in een klein kamertje in haar lichaam was een deurtje opengegaan.  En door dat deurtje was een geile vrouw naar buiten geklommen die het gekwetste moederhart had aangegrepen om zich te manifesteren en de moeder buiten te gooien ten voordele van de minnares. De minnares in haar was weer opgestaan, noodgedwongen, uit eenzaamheid, doelloosheid.  Plotsklaps, zo op een avond.  Ze dacht dat ze de hoer in zichzelf de dag dat Joppe geboren was, de nek had omgedraaid. Voor haar waren het immers twee elkaar uitsluitende categorieën, moeder en hoer.  Zo was ze ook opgevoed.  Ze was een klassiek geval van kleinburgerlijke indoctrinatie.  

Haar vader was onderwijzer geweest in de katholieke normaalschool  en haar moeder bereidde de communikantjes van de parochie voor op hun plechtige communie. Vooral haar vader was erg streng geweest, hij zag de katholieke normaalschool als de kweekvijver voor het enige ware gedachtegoed: de katholieke leer.  Hij nam het woord 'katholiek' meer in de mond dan het woord 'hallo'. Jeanne had het eens geturfd in haar opstandige puberjaren.  In die katholieke normaalschool dus, werden onderwijzers gevormd tot plichtbewuste en strikte leerkrachten.  Jeanne, zo heette Joppes moeder, had de opleiding tot onderwijzeres bij haar vader gevolgd en was doordrongen van ‘plicht en deugdelijkheid’ als enige redmiddel tegen de zondige natuur van de mens. 

Ze had weliswaar een poosje geworsteld met de katholieke deugdelijkheid van haar ouders en dus was er een periode geweest van losbandigheid,  een periode waarin ze mannen versierde in Café Den Ondank en ze zonder scrupules met een tiental van hen het bed deelde.  Zo was zij plotsklaps alleenstaande moeder geworden en met het moederschap was het goed fatsoen weer in haar opgestaan en werd ze een nog grotere moraalridder dan haar moeder en zelfs dan haar vader. Ze verafschuwde het mannelijke geslacht, omdat zij hun verantwoordelijkheid niet durfden opnemen en liever op vrijersvoeten bleven dan zich te vestigen als vader van haar kind.  Dat ze geen van de mannen had laten weten wie de vader kon zijn, vond zij geen excuus.  Een echte man zou het vaderschap voelen als een soort roeping.  Wederom was dit een afschuiving van de eigen verantwoordelijkheid, die liet ze maar al te graag in de mannelijke schoenen van het dorp glijden.    

Dit wekte irritatie op onder de dorpsgenoten en dus vertoonde ze zich niet meer in Café den Ondank, maar eens te meer in de kerk waar ze de eerste vrouwelijke lekenpastor werd. Wat voor haar, voor Jeanne spreekt, is dat ze wellicht niet anders kon.  Opgevoed in een engdenkende familie met veel autoriteit en weinig vrijheid, wist ze de vrijheid van de volwassenheid niet te hanteren en verwerd ze tot een karikatuur van haar eigen goedebedoelende, maar wat kortzichtige ouders. De enige man in haar leven was Joppe, een verkleining van Job, van het Boek Job uit de Bijbel, de onschuldige die lijdt onder de willekeur van God...

Nu, na 30 jaar van seksuele onthouding vond ze uiteindelijk weer een man in haar bed.  Ze had een voorgevoel gehad die vrijdagavond, de avond voordat haar Joppe op bezoek zou komen.  Normaal zou ze de avond voor zijn komst al in actie schieten.  Ramen lappen, bed verschonen, zijn lievelingspyjama klaarhangen.  Dat soort dingen.  Deze keer zag ze de zin er niet van in.  Joppe was al meer dan een half jaar niet meer langs geweest.  En elke keer had ze zich stoer gehouden en het gebruikelijke voorbereidingsritueel uitgevoerd.  Elke keer, tot nu.  Nu wilde ze niet meer.  Haar lijf wilde niet uit de zetel opstaan om zijn plicht te doen. Haar lijf wilde nog enkel uit de zetel opstaan om iets wilds te doen, iets onconventioneels vrij en wild!

 Ze was naar Café Den ondank gegaan en ontdekte dat de rode gordijnen, de neonverlichting achter de toog, noch de muziek waren veranderd.  Alleen het publiek was veranderd. Vroeger was dit een jongerencafé geweest, maar het café was meegegroeid met zijn cliënteel en dus had het cafépubliek de gemiddelde leeftijd van de middelbare leeftijd.  Het publiek was dus eigenlijk misschien nog het minst  van al veranderd.  Nog steeds dezelfde mannen en vrouwen.  En dat publiek keek dan ook vreemd op, toen het Jeanne opmerkte.  ‘He Jeanne, de weg kwijtgespeeld?’ vroeg Tuur van achter de toog.  ‘Nee, ze is eerder van de goede weg af’, grapte Filip  en hij wees naar haar rode lippenstift.  

 Jeanne deed of ze het niet hoorde en bestelde liefjes een rode porto waarna ze zich in een hoek van het café zette.  Nog geen 10 minuten later vroeg ene Richard haar ten dans.  Salsa, ze kende de dans niet, maar hij nam de tijd om het haar te leren en die aandacht deed haar helemaal wegsoezelen en onder het bewonderend oog van de cafégangers danste ze de jarenlange voor zichzelf opgeworpen terreur van zich af.  En ze belandde met Richard in bed en voelde zich weer 20, maar dit keer hoefde zich geen zorgen te maken over een mogelijke zwangerschap, over mogelijke verantwoordelijkheden en dus bleven haar fatsoensnormen veilig weggeborgen.  Of toch voorlopig.  Een week lang leefde ze in zonde met haar Richard, die overdag gitaar speelde en sigaretten rookte en ‘s avonds Jeanne in bed te grazen nam.  Een week lang beleefden ze hun wittebroodsweken en roddelde het dorp er op los.  De heilige Jeanne was teruggekeerd naar haar losbandig leven. Als dat maar goed ging.  De zevende losbandige dag stond haar zoon voor de deur.   

In peignoir stond ze hem te woord, maar ze liet hem niet binnen.  ‘Mama, je doet zo raar, waarom laat je me niet binnen?’  ‘Maar, je had toch helemaal niet gezegd dat je vandaag zou komen.’  ‘Mama, wat doe je raar?’  ‘Jeanne, wie is daar’, riep een mannenstem uit het huis.  Joppe stond perplex en keek zijn moeder vragend aan.  Ze opende zuchtend de deur en Joppe stormde de keuken in waar Richard in bloot bovenlijf wortels stond te raspen. Hij zat helemaal onder het wortelsap en grinnikte naar Joppe: “Jij moet Joppe zijn en stak hem zijn bonkige hand toe.” Joppe voelt een diepe woede in zich opborrelen.  Oh, wat wilde hij dat hij even kon verdwijnen in de sprookjes van 1001 nacht en daar betoverd water kon stelen om er deze grijze rocker mee te besprenkelen, zodat hij in niets minder dan een vuile straathond kon veranderen.  En oh, wat verafschuwde hij zijn moeder die na al die jaren toch de lasterpraatjes van het dorp bleek waar te maken.  En voor hij het wist stond hij te schelden als een dolle hond en klemde zijn moeder zich vast rond zijn maaiende armen.  Hij beet in haar omklemmende arm en riep, woest: “En wie is deze man.  Eén van mijn zovele potentiële vaders?  Waar haal je het recht vandaan om mij een vader te misgunnen en van zodra ik je even de rug toekeer toch dat gehate mannelijke geslacht op te zoeken? Wat ben ik dan, je stand-in-man?”

“Nee, Joppe, je bent mijn zoon.  En je mag dat zo allemaal niet bekijken. Als moeder alleen had ik gewoon geen tijd om een man te zoeken en nu kwam die ruimte er plots wel.  Ik heb je nooit als stand-in gezien.  Jij bent…” En zijn moeder zakte als een pudding, waarvan iemand het velletje had afgeschraapt, in elkaar en Richard raapte de pudding op, deed haar het moedervel weer om en stak haar in bed.  Joppe belandde alleen aan de keukentafel, dronk thee en staarde uit het raam en keek nergens naar, zoals dat gaat bij staren.  Richard kwam er bij zitten: “Ze is wat gekalmeerd nu. Jij?”  “Mwa.”  Stilte.  Een ongemakkelijke stilte, zoals een stilte alleen maar kan zijn tussen twee rivalen, nadat het bindmiddel er tussen uit is geknepen.   

“Het was gewoon liefde op het eerste gezicht”, begon Richard om de boel te lijmen.  Joppe barstte in lachen uit.  “Komaan man, dat wil ik toch allemaal niet horen.  Als mijn moeder van bil wil gaan, dan is dat haar zaak.  Bespaar me je zoete praatjes.”  Weer een stilte, minder lang deze keer, maar nog ongemakkelijker. “Maar Joppe, ik heb het echt goed voor met je moeder en misschien kan ik wel de vader voor je zijn die je altijd hebt gemist.” Joppe bekeek de overjaarse rocker naast hem.  Weer een geval van een uiterlijk dat niet paste bij de inhoud.  Eerst Karel, de sympathieke gladde aal.  Dan Karin, het intelligente domme blondje en nu deze rocker.  Het uiterlijk van een rocker gebruiken als dekmantel voor het ergste soort pastoor of therapeut. Hij bedankte ervoor.