
Nu
hij zelf zo in de liefde verwikkeld was geraakt, had hij zin om een begin te
maken met Saids liefdesverhaal. Maar was
deze kleine Said, amper twaalf jaar, niet wat jong om al verliefd te worden op
Saliha? Nee, Saïdjah en Adinda in de Max
Havelaar waren ook al heel jong aan elkaar beloofd, dus dat kon best. Hoe zou hij
Saids en Saliha’s liefdesverhaal kunnen enten op dat van Saïdjah en
Adinda? Saïdjah die de buffels van zijn vader bereed om het land van de vader
van Adinda te bewerken. De perfecte
interdependentie tussen twee families, die door elkaar werd gehaald door de hoge,
blanke heren van Lebak die de buffels van de plaatselijke bevolking opeisten en
zo dus het hele economische systeem in de war stuurden. Waardoor Saïdjah gedwongen werd om elders
brood te gaan zoeken en Adinda had beloofd op hem te wachten, zelfs 3 keer 12
manen lang. Dat bleek te lang, 3 keer 12 manen, want toen Saïdjah terugkwam in
het dorp was Adinda verdwenen. Haar huis was zelf van de aardbodem weggeveegd. En toen hij haar uiteindelijk vond, samen met
haar vader en haar broers, een paar dorpen verder, was de desillusie totaal: naakt,
dood en mishandeld door het Nederlands-Indisch leger. Omdat ze gevlucht waren uit hun dorp, omdat
ze de landrenten (lees buffels) niet meer konden en wilden betalen en dus als opstandelingen
tegen het gezag werden aanzien....
Hoe kon hij deze verhaalstof extraponeren naar
Said en Saliha? In Marokko hadden ze
geen band. Said was van Berkane. Saliha van Tanger. In België hadden ze voorlopig een eenzijdige
economische afhankelijkheid. Saliha
woonde bij hen in. Said hielp Saliha met
haar huiswerk. Wat zat er in de pijplijn
voor Said? Had Saliha’s familie nog
grond in Marokko waarop ze samen konden gaan wonen, weliswaar in een verre toekomst? Of hoefde de liefde geen economische
onderbouw te hebben? Tussen hem en Karin
was er duidelijk geen economische noodzaak.
Het was gewoon liefde of toch verliefdheid, ze konden elks in hun eigen
levensonderhoud voorzien. Maar wat als
ze langer samenbleven, kinderen wilden maken?
Dan moesten ze toch groter gaan wonen.
En een huis kopen was iets, wat de laatste tijd door de stijgende
vastgoedprijzen, alleen nog mogelijk was voor tweeverdieners, of voor mensen
met familiekapitaal. Dus alle romantische gedachten ten spijt was Joppe er diep
in zijn hart van overtuigd dat een relatie maar kon slagen als er een
economisch fundament was. Maar
misschien waren Saliha en Said al doordrongen van de romantische westerse
idealen en was er toch vooral eerst liefde? Of moest hij de economie van een
relatie breder zien dan louter geldelijke belangen? Konden andere verlangens ook tot die zogenaamde economie worden gerekend? Het verlangen om graag gezien te worden, erkend te zijn in wie men is, bijvoorbeeld? Om zichzelf als individu te kunnen respecteren en ontplooiïen had Saliha in de eerste plaats een
dak boven haar hoofd nodig, wat Saids familie kon bieden. En Said had vooral erkenning nodig, erkenning van zijn dromen, hij moest zijn dromen aan iemand anders kunnen vertellen, anders bestonden ze niet, niet echt. Zolang deze interdependentie bestond, was er kans op een opbloeiende liefde.
Ze
hadden er ruzie over gemaakt, over de economische interdependentie in de enge zin. Hij en Karin.
Hij had geopperd dat hun liefde het economisch fundament van een eigen
huis nodig had. En zij was kwaad
geworden, heel kwaad. Dat hij zich
voordeed als een antikapitalist en wereldverbeteraar, maar in werkelijkheid
niets anders was dan een kleinburgerlijk mannetje met een baksteen in zijn
maag. ‘Wat wilde zij dan?’ had hij
uitgeroepen. ‘Een kraakpand om in te
wonen?’ ‘ En waarom niet, alles beter
dan jouw belachelijke voorstel om samen een huis te kopen! Wie dacht er trouwens al aan samenwonen? Drie
weken waren ze samen, drie weken!’ Joppe was in elkaar gezakt en beginnen
huilen. Dat had hij in jaren niet meer
gedaan. Gehuild. En Karin had gelachen. Erg hard.
En hij was beginnen meelachen.
Erg hard. ‘Sorry’, zei hij met
betraande ogen. ‘Dat ik op zo’n loser
ben gevallen’, glimlachte Karin. Dat is
toch wel erg jammer en ze kuste hem op zijn beverige mond. ‘Dus, we stellen dat samenwonen nog even
uit?’ ‘Ja graag, als dat kan voor
jou.’ ‘Ja, natuurlijk, alles kan, ik heb
me, geloof ik, een beetje idioot gedragen.’
‘Jij bent gewoon soms te star voor woorden, samen een huis kopen en dat
gedoe over de economische fundering van een relatie, griezelig hoor.’ ‘Ja, maar.’
‘Nu niet opnieuw beginnen! Ik
verwacht van jou romantische liefde, niets meer, maar ook niet minder. Capito?!’
‘Capito.’ Joppe voelde zich echter een loser. Hoe kon hij het haar duidelijk maken, dat
voor hem die economische grondslag echt nodig was, dat hij niet geloofde in de
romantische liefde. Zou hij na drie
weken zichzelf en zijn denkbeelden al laten opzijzetten voor haar definitie van
de liefde? Of verlangde hij eigenlijk
ook naar die romantische liefde, maar durfde hij er gewoon niet op te
vertrouwen? Als hij heel eerlijk was, sprak
er wel heel veel liefde uit haar weigering om samen een huis te kopen. Ze wilde hem, niet zijn geld. Toch kon hij deze weigering op huiselijk
geluk moeilijk in die zin interpreteren.
Het liet een wrange smaak na.
‘He, meneer beteuterd, gaat het alweer een beetje?’ ‘Ja hoor, geen
probleem!’ Maar hij had gevoel dat de
kiem was gelegd voor iets wat tot de splijtzwam in hun relatie kon
uitgroeien. Hij kon er zijn vinger nog
niet helemaal op leggen en het was nog maar een champignonnetje, maar
toch.
De
twijfel was binnengeslopen. Joppe had
haar altijd geïntrigeerd. Hij leek zo
mysterieus, helemaal geen type om op een bank te werken. Ze was curieus naar wat er zich in zijn
binnenste afspeelde, want zover ze wist, had nog nooit iemand kunnen
binnenkijken daar. Zijn
antikapitalistische speech had haar in brand gezet. Maar nu twijfelde ze of die uitlating geen
eenmalige opflakkering was van zijn anders eerder dorre inborst. Hij was tot weinig te bewegen, overpiekerde
alles, maar dan ook alles, had vreemde
ideeën over relaties, die op zijn zachtst gezegd niet romantisch waren
ingegeven en dan was er nog dat boek dat hij aan het schrijven was. Ze vertrouwde er allerminst op en bedacht dat
ze straks met een gefnuikte would-be-schrijver zou achterblijven. Ze voelde de energie uit zichzelf wegstromen
als was ze een geest die in een kruik werd gestopt om daar voor altijd weg te
rotten. Een bittere trek kwam rond haar mond, want energie en enthousiasme, dat
waren haar handelsmerk, die konden en mochten niet bedwongen worden door boze
tovenaar Joppe. Ze lachte om zichzelf
bij die gedachte. Had ze schrik van deze
Joppe, deze man die in elkaar zakte bij een eerste woordenwisseling? Dat had
ze nog nooit meegemaakt, een man die in elkaar zakte en begon te huilen. Het paste haar niet, zij hield zich sterk,
eender wat haar overkwam en deze man klapte gewoon bij het eerste misverstand
als een kaartenhuisje in elkaar. Die
reactie stond zo ver van haar af dat ze alleen maar had kunnen lachen. Tegelijk vond ze het wel aandoenlijk, die
huilende man. Maar wilde ze dat, een aandoenlijke
man? Wilde ze geen man, die groot en
sterk en trots was, niet dit onzekere schepsel? Ze wist het niet meer en
zuchtte diep.
En
als klap op de vuurpijl had hij haar meegevraagd naar zijn moeder. De volgende dag al, om te gaan dineren met
Jeanne en Richard. Dat Joppe nu alweer
in staat was om die man onder ogen te komen!
Karin meed angstvallig de nieuwe vlammen van haar moeder, en dat waren
er nogal wat. Om de paar maanden diende zich wel een nieuw exemplaar aan. Karin had haar moeder gezegd dat ze de
volgende man die haar moeder aan de haak sloeg, pas wilde ontmoeten als de
relatie de houdbaarheidsdatum van één jaar had overschreden. Haar moeder had ingestemd op voorwaarde dat
Karins nieuwe liefjes ook pas na een jaar over de vloer mochten komen. Karin vond het best zo. Schoonkinderen en -ouders
hoefden niet te veel te interfereren, een minimale schoonouderlijke
interdependentie was te prefereren. Ze
moest giechelen. Ze begon al net als Joppe te klinken. Een weer ontsnapte een zucht haar. De witte broodsweken waren alweer voorbij,
zoveel was duidelijk, nu begon de zoektocht naar het evenwicht in de relatie:
het wij, het ik en de ander en de driehoekverhouding daartussen. Keer op keer vond ze de liefde niet groot
genoeg om die zoektocht aan te gaan.
Misschien moest ze nu toch maar wat doorbijten, anders eindigde ze nog
als de nymfomane die haar moeder was. Ze
zou Joppe wel eens naar haar vader meenemen als hij naar haar familie vroeg,
maar eerst moest ze dat etentje ten huize Jeanne nog zien te overleven. Hoe kwam het toch dat ze zo opkeek tegen
alles wat met verplichtingen te maken had?
Nu ja, haar vrolijke zelf zou haar wel ter hulp schieten de volgende
dag.