maandag 5 november 2012


Als jij opstaat, zal ik zingen.
 
Als jij opstaat, zal ik zingen.
Voor wie zing je dan?
Voor jou.
Als ik opsta, zal jij zingen?
Ja.
Voor wie?
Voor jou. 
Als ik opsta, zal jij zingen?
Ja.
Voor mij?
Ja.
Als ik opsta, zal jij zingen?
Ja.
Alleen voor mij?
Ja.
Wat zing je dan? 
Een parel.
Voor mij?
Nee.
Niet voor mij?
Nee.
Voor wie dan?
Voor de zwijnen. 
Voor de zwijnen?
Ja.
Waarom?
Omdat jij bent opgestaan.
Omdat ik ben opgestaan?
Ja. 
Zonder mij.  

Vrouwen kauwen.

 
Je zou denken dat je nooit
wil belanden tussen
hun ongeruste handen.
Tussen hen en hun
weloverwogen kiezen.

Je zou denken dat ze je creëren
naar hun verbeelding en ondertussen
je realiteit vermalen tussen hun
weloverwogen kiezen.

Je zou denken dat vrouwen
die kauwen op hun gedachten
niet lijken op prinsessen.

Ze wachten en tussen hen
zal jij toch  kiezen. 

donderdag 1 november 2012

Over interdependentie en de liefde: een fundamentele benadering.


Nu hij zelf zo in de liefde verwikkeld was geraakt, had hij zin om een begin te maken met Saids liefdesverhaal.  Maar was deze kleine Said, amper twaalf jaar, niet wat jong om al verliefd te worden op Saliha?  Nee, Saïdjah en Adinda in de Max Havelaar waren ook al heel jong aan elkaar beloofd, dus dat kon best.  Hoe zou hij  Saids en Saliha’s liefdesverhaal kunnen enten op dat van Saïdjah en Adinda? Saïdjah die de buffels van zijn vader bereed om het land van de vader van Adinda te bewerken.  De perfecte interdependentie tussen twee families, die door elkaar werd gehaald door de hoge, blanke heren van Lebak die de buffels van de plaatselijke bevolking opeisten en zo dus het hele economische systeem in de war stuurden.  Waardoor Saïdjah gedwongen werd om elders brood te gaan zoeken en Adinda had beloofd op hem te wachten, zelfs 3 keer 12 manen lang. Dat bleek te lang, 3 keer 12 manen, want toen Saïdjah terugkwam in het dorp was Adinda verdwenen. Haar huis was zelf van de aardbodem weggeveegd.  En toen hij haar uiteindelijk vond, samen met haar vader en haar broers, een paar dorpen verder, was de desillusie totaal: naakt, dood en mishandeld door het Nederlands-Indisch leger.  Omdat ze gevlucht waren uit hun dorp, omdat ze de landrenten (lees buffels) niet meer konden en wilden betalen en dus als opstandelingen tegen het gezag werden aanzien....

Hoe kon hij deze verhaalstof extraponeren naar Said en Saliha?  In Marokko hadden ze geen band.  Said was van Berkane.  Saliha van Tanger.  In België hadden ze voorlopig een eenzijdige economische afhankelijkheid.  Saliha woonde bij hen in.  Said hielp Saliha met haar huiswerk.  Wat zat er in de pijplijn voor Said?  Had Saliha’s familie nog grond in Marokko waarop ze samen konden gaan wonen, weliswaar in een verre toekomst?  Of hoefde de liefde geen economische onderbouw te hebben?  Tussen hem en Karin was er duidelijk geen economische noodzaak.  Het was gewoon liefde of toch verliefdheid, ze konden elks in hun eigen levensonderhoud voorzien.  Maar wat als ze langer samenbleven, kinderen wilden maken?  Dan moesten ze toch groter gaan wonen.  En een huis kopen was iets, wat de laatste tijd door de stijgende vastgoedprijzen, alleen nog mogelijk was voor tweeverdieners, of voor mensen met familiekapitaal. Dus alle romantische gedachten ten spijt was Joppe er diep in zijn hart van overtuigd dat een relatie maar kon slagen als er een economisch fundament was.  Maar misschien waren Saliha en Said al doordrongen van de romantische westerse idealen en was er toch vooral eerst liefde?  Of moest hij de economie van een relatie breder zien dan louter geldelijke belangen? Konden andere verlangens ook tot die zogenaamde economie worden gerekend?  Het verlangen om graag gezien te worden, erkend te zijn in wie men is, bijvoorbeeld?  Om zichzelf als individu te kunnen respecteren en ontplooiïen had Saliha in de eerste plaats een dak boven haar hoofd nodig, wat Saids familie kon bieden. En Said had vooral erkenning nodig, erkenning van zijn dromen, hij moest zijn dromen aan iemand anders kunnen vertellen, anders bestonden ze niet, niet echt.  Zolang deze interdependentie bestond, was er kans op een opbloeiende liefde. 

Ze hadden er ruzie over gemaakt, over de economische interdependentie in de enge zin.  Hij en Karin.  Hij had geopperd dat hun liefde het economisch fundament van een eigen huis nodig had.  En zij was kwaad geworden, heel kwaad.  Dat hij zich voordeed als een antikapitalist en wereldverbeteraar, maar in werkelijkheid niets anders was dan een kleinburgerlijk mannetje met een baksteen in zijn maag.  ‘Wat wilde zij dan?’ had hij uitgeroepen.  ‘Een kraakpand om in te wonen?’  ‘ En waarom niet, alles beter dan jouw belachelijke voorstel om samen een huis te kopen!  Wie dacht er trouwens al aan samenwonen? Drie weken waren ze samen, drie weken!’ Joppe was in elkaar gezakt en beginnen huilen.  Dat had hij in jaren niet meer gedaan.  Gehuild.  En Karin had gelachen.  Erg hard.  En hij was beginnen meelachen.  Erg hard.  ‘Sorry’, zei hij met betraande ogen.  ‘Dat ik op zo’n loser ben gevallen’, glimlachte Karin.  Dat is toch wel erg jammer en ze kuste hem op zijn beverige mond.  ‘Dus, we stellen dat samenwonen nog even uit?’  ‘Ja graag, als dat kan voor jou.’  ‘Ja, natuurlijk, alles kan, ik heb me, geloof ik, een beetje idioot gedragen.’  ‘Jij bent gewoon soms te star voor woorden, samen een huis kopen en dat gedoe over de economische fundering van een relatie, griezelig hoor.’  ‘Ja, maar.’  ‘Nu niet opnieuw beginnen!  Ik verwacht van jou romantische liefde, niets meer, maar ook niet minder.  Capito?!’  ‘Capito.’ Joppe voelde zich echter een loser.  Hoe kon hij het haar duidelijk maken, dat voor hem die economische grondslag echt nodig was, dat hij niet geloofde in de romantische liefde.  Zou hij na drie weken zichzelf en zijn denkbeelden al laten opzijzetten voor haar definitie van de liefde?  Of verlangde hij eigenlijk ook naar die romantische liefde, maar durfde hij er gewoon niet op te vertrouwen?  Als hij heel eerlijk was, sprak er wel heel veel liefde uit haar weigering om samen een huis te kopen.  Ze wilde hem, niet zijn geld.  Toch kon hij deze weigering op huiselijk geluk moeilijk in die zin interpreteren.  Het liet een wrange smaak na.  ‘He, meneer beteuterd, gaat het alweer een beetje?’ ‘Ja hoor, geen probleem!’  Maar hij had gevoel dat de kiem was gelegd voor iets wat tot de splijtzwam in hun relatie kon uitgroeien.  Hij kon er zijn vinger nog niet helemaal op leggen en het was nog maar een champignonnetje, maar toch. 

De twijfel was binnengeslopen.  Joppe had haar altijd geïntrigeerd.  Hij leek zo mysterieus, helemaal geen type om op een bank te werken.  Ze was curieus naar wat er zich in zijn binnenste afspeelde, want zover ze wist, had nog nooit iemand kunnen binnenkijken daar.  Zijn antikapitalistische speech had haar in brand gezet.  Maar nu twijfelde ze of die uitlating geen eenmalige opflakkering was van zijn anders eerder dorre inborst.  Hij was tot weinig te bewegen, overpiekerde alles,  maar dan ook alles, had vreemde ideeën over relaties, die op zijn zachtst gezegd niet romantisch waren ingegeven en dan was er nog dat boek dat hij aan het schrijven was.  Ze vertrouwde er allerminst op en bedacht dat ze straks met een gefnuikte would-be-schrijver zou achterblijven.  Ze voelde de energie uit zichzelf wegstromen als was ze een geest die in een kruik werd gestopt om daar voor altijd weg te rotten. Een bittere trek kwam rond haar mond, want energie en enthousiasme, dat waren haar handelsmerk, die konden en mochten niet bedwongen worden door boze tovenaar Joppe.  Ze lachte om zichzelf bij die gedachte.  Had ze schrik van deze Joppe, deze man die in elkaar zakte bij een eerste woordenwisseling? Dat had ze nog nooit meegemaakt, een man die in elkaar zakte en begon te huilen.  Het paste haar niet, zij hield zich sterk, eender wat haar overkwam en deze man klapte gewoon bij het eerste misverstand als een kaartenhuisje in elkaar.  Die reactie stond zo ver van haar af dat ze alleen maar had kunnen lachen.  Tegelijk vond ze het wel aandoenlijk, die huilende man.  Maar wilde ze dat, een aandoenlijke man?  Wilde ze geen man, die groot en sterk en trots was, niet dit onzekere schepsel? Ze wist het niet meer en zuchtte diep.  

En als klap op de vuurpijl had hij haar meegevraagd naar zijn moeder.  De volgende dag al, om te gaan dineren met Jeanne en Richard.  Dat Joppe nu alweer in staat was om die man onder ogen te komen!  Karin meed angstvallig de nieuwe vlammen van haar moeder, en dat waren er nogal wat.  Om de paar maanden  diende zich wel een nieuw exemplaar aan.  Karin had haar moeder gezegd dat ze de volgende man die haar moeder aan de haak sloeg, pas wilde ontmoeten als de relatie de houdbaarheidsdatum van één jaar had overschreden.  Haar moeder had ingestemd op voorwaarde dat Karins nieuwe liefjes ook pas na een jaar over de vloer mochten komen.  Karin vond het best zo. Schoonkinderen en -ouders hoefden niet te veel te interfereren, een minimale schoonouderlijke interdependentie was te prefereren.  Ze moest giechelen. Ze begon al net als Joppe te klinken.  Een  weer ontsnapte een zucht haar.  De witte broodsweken waren alweer voorbij, zoveel was duidelijk, nu begon de zoektocht naar het evenwicht in de relatie: het wij, het ik en de ander en de driehoekverhouding daartussen.  Keer op keer vond ze de liefde niet groot genoeg om die zoektocht aan te gaan.  Misschien moest ze nu toch maar wat doorbijten, anders eindigde ze nog als de nymfomane die haar moeder was.  Ze zou Joppe wel eens naar haar vader meenemen als hij naar haar familie vroeg, maar eerst moest ze dat etentje ten huize Jeanne nog zien te overleven.  Hoe kwam het toch dat ze zo opkeek tegen alles wat met verplichtingen te maken had?  Nu ja, haar vrolijke zelf zou haar wel ter hulp schieten de volgende dag.