maandag 30 januari 2012

Stroom


Mijn levensvreugde kapseist in toevallige momenten
die de vergeefse stuwing van de zee missen. 
Wie dit begrijpt, heeft te veel poëzie gelezen
En stroomt vanzelf met de beelden mee. 

Ik hou van jou?  Begrijp je dat? 
Of  maakt mijn schipbreuk je misselijk
En bang voor wat je vlees verschuilt?

Je zegt: ‘Stil toch.’- trekt me diep het water in
En toont me hoe ik op mijn woorden drijven kan.

vrijdag 27 januari 2012

Een meisje van 14...


Waarom gaan mensen naar voordrachten luisteren of naar theater, nog zo’n zinloze bezigheid? 

Ik denk dat mensen komen voor wat ze noemen: een goei verhaal! 
Even druk  van de ketel en dan vluchten in een schone fantasie. 

Een schoon verhaal dus.  Laten we de proef op de som nemen. Zou ik u kunnen wijsmaken dat 'ik' de boze wolf ben en dat straks door die deur daar, die daar staat in de hoek van de kamer waar we ons nu bevinden, roodkapje binnenkomt.  Ze kijkt eerst met bange oogjes naar binnen, want er is toch duidelijk iets ‘anders’ aan de hand in het huisje van grootmoeder.  Het ruikt er anders, de sfeer is beklemmender en niet te vergeten is roodkapje op haar weg hierheen 'mij', de boze wolf dus, al tegengekomen en dat laat haar natuurlijk niet onberoerd. De boze wolf stelt alles in een ander daglicht, dat weet elk meisje van 14. 

Wellicht is dit verhaaltje van de boze wolf niet zo aannemelijk, iedereen kent het al, ik ben een vrouwelijk schrijfster die me voordoet als boze wolf, hmhm…. Matige score op de schaal der geloofwaardige verhalen. 
En toch.  
Misschien is uw drang als lezer of toehoorder, uw drang tot een 'goei' verhaal wel even sterk als Sebastiaans drang tot het spinnen van een web.  En dus verdraagt u in functie daarvan een hoop onhandigheid en  beginnersfouten van dat piepkuiken van een schrijfster  Het moet wel een beetje goed gedaan zijn.  Het mag een beetje cliché en voorspelbaar zijn, maar ook niet te.  Het mag nog wel een pietepeutje verrassend en goed opgebouwd zijn.  En dan laat een publiek meestal zijn scepsis wel varen of dat meen ik toch bij mezelf te observeren als ik in de publieksrol zit: Als publiek wil ik heel wat slikken. 

Terwijl in het echte leven.  Nee, daar hanteer ik de scepsis juist als richtsnoer voor het dagdagelijks handelen. Ik ga niet in zomaar in eender wat geloven.  Als ik naar de winkel ga, trap ik dus niet- als de eerste beste puber- in de reclame en doe ik, samen met mijn hoogstpersoonlijke verlangens de boodschappen. 

Dat denk of liever dat dacht ik toch altijd.  Tot een keer, zo’n 4 jaar geleden.  Toen is het begonnen. Ik liep met een volgeladen winkelwagen uit de Delhaize en ik zag hun meesterlijke slogan: ‘Leef zoals je wil.’  Ja maar, dacht ik.  Dat kan niet.  Dat is mijn slogan, mijn sceptische richtsnoer om de reclame te vlug af te zijn.  En dan neemt de reclame mijn slogan over?! Of was de reclame eerst en ben ik hun volgeling?  Dit bracht me danig in verwarring en dat was nog maar het topje van de Freudiaanse ijsberg.  Ik keek namelijk vervolgens naar wat er in mijn winkelkarretje te rapen viel, wat ik samen met mijn hoogstpersoonlijke verlangens had gekozen: Ik zag- tot mijn ontsteltenis- mexican wraps, sushi  à volonté,  scampi’s, een Chinese kool, een Italiaanse pizza en het benauwend zweet brak me ijskoud uit.  

Een volgende slogan schoot me te binnen: ‘Je bent wat je eet.’ 

Met trillend hart durfde ik toen te denken: wie ben ik dan?  Een Mexicaan, een Japanees, een Chinees of een Italiaan?

Sinds die dag ga ik naar het theater en poëzievoordrachten.  In de hoop daar nog verhalen te vinden, een 'goei' verhaal dat klopt.  Maar wat bleek:  ook in het theater zijn er nog weinig echte verhalen.  Deconstructie noemen ze dat.  'Wij deconstrueren de waarheid, want een universele waarheid bestaat niet meer,' heet het daar.  Alles is voorlopig en falsifieerbaar.  Falsiwatte?  Falsifieerbaar, waar tot het tegendeel bewezen wordt. 

En dus zoek ik nu mijn heil in films en soaps. Ik moet wel.  Daar bestaan ze nog, de verhalen, de meeslepende intriges en de liefde, liefde  tot de dood ons scheidt.  

Ik begrijp het niet, buiten de film en de soap wisselen mensen van lief als van GSM. Is een lief ook falsiwatte?  De ware tot het tegendeel bewezen wordt?  Ik word daar een beetje moedeloos van en ik weet ook niet, als ik dan een lief heb wat ik moet doen. Geloven dat wij samen oud gaan worden of denken: dit is maar een overgangsfiguur naar een volgende die beter is? 

Onlangs zei iemand dat tegen me: er bestaan alleen maar overgangsfiguren.  Ik krijg het daar een beetje koud van. Maar ik ben aan het zeuren.  Ik weet het, wij zijn kei vrij om te gaan en staan waar we willen, om ons lief te dumpen en in een nieuw avontuur te jumpen. 

Maar als ik heel eerlijk ben?  Ik vind dat moeilijk, ik spring niet zo gemakkelijk ergens in, laat staan in het diepe-dieperdere-diepst: de liefde.  Hoe kan je nu een vis aan de haak slaan als je niet zeker weet dat er morgen geen schoonder exemplaar voorbijzwemt?  En dus zit ik maar een beetje naar die  zwemkom te kijken en staar apathisch naar  the plenty of fish in the sea, de zee van de oneindige  mogelijkheden. 

En ik denk: die vissen in die visbokaal, die willen een verhaal,  net als ik.  Een altijd waar verhaal om in te geloven, om te kunnen blijven rondzwemmen, en opeenvolgende visjes aan hun lijn te rijgen.  En waarom willen zij een  altijd waar verhaal?  Kom nou, dat snapt zelfs een meisje van 14: de vis kan veranderen, maar er blijft altijd een haakje steken. 



woensdag 18 januari 2012

Joppe op de improles...


‘Last van koudwatervrees?’ vroeg de vrouw van middelbare leeftijd naast hem.  Hij had zich ingeschreven voor een cursus improvisatietheater.  Hij vond dat hij toch een beetje onder de mensen moest komen en misschien hoopte hij ook een beetje van zijn eigen verloren gegane spontaneïteit terug te vinden, maar nu hij die 45-jarige vrouw naast hem bekeek, vroeg hij zich af of dit nu wel zo’n goede beslissing was.  Waren al deze mensen hier om iets artistieks te doen met hun leven, zichzelf opnieuw heruit te vinden?  Hij keek om zich heen.  Twintigers of veertigers.  Amper dertigers, die zaten nu in de pampers en moesten te hard werken om hun huis af te betalen.  Geen tijd meer voor een hobby.  Kinderen en huizen eerst!  Een hobby.  Dit zou dus zijn hobby worden.  Voor zover hij wist had hij nog een nooit een hobby gehad.  Nooit postzegels verzameld of gevoetbald, nooit jeugdig bewogen in scouts of chiro of een instrument leren bespelen. 
‘Nee, dat valt wel mee, ik heb wel al voor hetere vuren gestaan, ben al door diepere watertjes gegaan’ antwoordde hij met een kwinkslag. 
‘Het water is nooit te diep’, zong een andere veertiger. 
‘Kijk eens diep in mijn ogen,’ zong een pas uit het ei gekropen twintiger. 
Oh, nee, grapjassen tegen elkaar op.  Dit zou vermoeiend worden en om erbij te horen zou hij zijn duit in het zakje moeten doen.  Joppe zuchtte.  Ze waren nog niet eens begonnen, dit was de cafetaria vooraf en zoals dat hoorde bij het verenigingsleven zou de cafetaria achteraf ook een verplicht nummer worden en als hij er zich aan zou ontrekken, was hij weer de rare, de vreemde eend in de bijt,... 
‘He Joppe, wat doe jij hier?’ 
Karin.  Wat deed zij hier? 
‘Hetzelfde als jij denk ik, ik kom improën.’
Ze barstte in lachen uit.  ‘Dat is toch niets voor jou Joppe.  Jij moet een boek schrijven of zo, op je zolderkamer zitten en serieuze dingen bestuderen, toch geen zotte impro komen doen.’
Hij moet gekwetst gekeken hebben, want plots viel ze stil.
Een ongemakkelijke stilte.  Dat was nu al de tweede keer in een paar dagen dat hij haar tegenkwam en twee keer kwam hij bij haar in een gênante situatie.  Deed ze het ervoor?  Was ze erop uit hem te kleineren.  Hij dacht weer aan Karels woorden:  weet je dat Karin echt een hoge pet van jou opheeft?’ 
Hij bekeek haar plots anders.  Misschien was zij niet de superieure populaire blondine en hij de idiote dwaas.  Misschien voelde zij zich wel minderwaardig tegenover hem.  Ha!  ‘Wat zit jij zo te glimlachen?’ 
‘Niks, ik ben gewoon blij van je te zien.  Ik denk dat ik je gemist heb.’  BAM!  Het sloeg in als een bom.  Karin keek hem vol ongeloof aan.  Zoiets liefs had hij nog nooit tegen haar gezegd.  ‘Dankjewel, ik vind jou ook een lekker stuk,’ lachte ze zijn compliment weg en ze wendde zich tot de vrouw naast Joppe.  ‘Hoe heet jij?’
‘Sandra en jij?’  ‘Karin.’  ‘Heb jij al eens impro gedaan?’  ‘Ja een paar cursussen en jij?’ ‘Nee, het is de eerste keer’, zei Sandra, ‘en ik ben wel een beetje zenuwachtig.’  ‘Nergens voor nodig, impro is super tof en ontspannend, wacht maar af.’  Oké ze was alweer vlotte Karin, maar om die grap met Karel moest hij haar toch nog aanspreken.  Koppelarij, daar was hij niet van gediend en van homoseksualiteit  noch minder.  Dat zou hij haar heel duidelijk maken.  Ooit, op een keer, als hij er de kans toe zag. 
Het improgedeelte was goed meegevallen. De spelletjes waren uiteraard een beetje stupide, maar hij moest toegeven dat het werkte.  Het had hem in de juiste stemming gebracht en hij was zelfs een beetje opgezet met zichzelf.  Karin had het mis, hij was niet alleen een zolderkamertype.  Hij had echt een paar goede vondsten gedaan: een stotterende chirurg die feilloos sneed, maar zijn status verloor het moment dat hij de operatiekamer verliet.  Het had een komisch spel opgeleverd, waarin hij hoe langer hoe sneller wisselde tussen de zelfbewuste chirurg en de stotterende sukkelaar.  Zelfs Karin had zijn statuswissels kunnen smaken en de improcoach had bewonderend naar hem gekeken.  Hij had toen moeten gaan, in dat moment van hoge status en bewondering.   

Hij had moeten weten dat de cafetaria achteraf, de bananenschil was waarop hij zijn gezicht zou verliezen.  Opnieuw.  Nog maar een keer zei hij de foute dingen op het foute moment.  Hij was aan de praat geraakt met een aantrekkelijke jonge vrouw, Ingrid.  Ze was lerares in het lager onderwijs. Dit nieuwtje had hem helemaal wild en roekeloos gemaakt.  Een juf, met dezelfde naam als Saids juf in de eerste klas.  Gaf ze les in Antwerpen stad?  Ja!  En ook aan migrantenkinderen?  Ja!  Hij had haar in één onnadenkende moment over zijn boek verteld.  En zij was enthousiast geweest.  Ze had hem zelfs gevraagd of ze er stukken van mocht lezen en toen had hij gezegd dat het wel een moeilijk boek was, met grote literaire complexiteit.  Dat men wel wat belezen moest zijn om het te kunnen lezen.  Het was pure schaamte natuurlijk die hem tot die uitspraak had gebracht.  De verlegenheid die hem vaker overviel als iemand interesse toonde.  ‘Dus jij denkt dat jouw boek te moeilijk is voor mij?  Omdat ik maar een leraresje ben, amper gestudeerd en alleen maar in staat tot het opzeggen van het ABC?’  Alle improhoofden hadden zich naar hem gericht.  ‘Was dit een spel of was dit echt?’ leken ze als 1 hoofd te denken. 

‘Ingrid,’ fluisterde hij.  ‘Ik meende het zo niet, natuurlijk vind ik jou niet te dom om mijn boek te lezen.  Ik schat je juist hoog in, maar er is nu eenmaal zoiets als boekenwijsheid die jij misschien niet hebt en die wel noodzakelijk is om mijn boek te begrijpen. Heb jij bijvoorbeeld de Max Havelaar gelezen, heb jij Arabisch geleerd om de verhalen van duizend en een nacht in hun oorspronkelijke taal te lezen?’  ‘Nee.’ En nu werd zij verlegen.  Statuswissel voor hem en voor haar, maar nu niet dolkomisch.  Het was stil geworden aan het cafetariatafeltje.  Met één klap voelde hij zich naar zijn zolderkamer teruggecatapulteerd.  Dit was geen fijn gevoel.  In wederzijdse overeenstemming was hij uit de groep gezet. ‘Ivoren toren-man’ was het harde verdict.  Ingrid stond op.  ‘Nu goed, ik ga dan maar, ik heb wat leesvoer in te halen.’ En ze tikte op een boek dat ze blijkbaar in haar handtas met zich meedroeg: De duivelsverzen van Salman Rushdie.  Hij moest bijna overgeven toen hij dat zag.  Las ze ‘Dé duivelsverzen’?  Een boek waar hij al verscheidene malen was aan begonnen, maar nooit was verder geraakt dan de eerste bladzijden.  Wat had hem bezield, zo van haar onwetendheid, ongeletterdheid uit te gaan?  Hij dronk de laatste slok van het obligate pintje op en mompelde iets waarna hij de improvrouwen verliet.  Dat hij dat nu pas zag, dat hij de enige man was die nog achteraf mee naar de cafetaria was gegaan.  De andere mannen  hadden ongeschonden het pand kunnen verlaten.  Hij moest nu als een gewond dier afdruipen.