maandag 5 november 2012


Als jij opstaat, zal ik zingen.
 
Als jij opstaat, zal ik zingen.
Voor wie zing je dan?
Voor jou.
Als ik opsta, zal jij zingen?
Ja.
Voor wie?
Voor jou. 
Als ik opsta, zal jij zingen?
Ja.
Voor mij?
Ja.
Als ik opsta, zal jij zingen?
Ja.
Alleen voor mij?
Ja.
Wat zing je dan? 
Een parel.
Voor mij?
Nee.
Niet voor mij?
Nee.
Voor wie dan?
Voor de zwijnen. 
Voor de zwijnen?
Ja.
Waarom?
Omdat jij bent opgestaan.
Omdat ik ben opgestaan?
Ja. 
Zonder mij.  

Vrouwen kauwen.

 
Je zou denken dat je nooit
wil belanden tussen
hun ongeruste handen.
Tussen hen en hun
weloverwogen kiezen.

Je zou denken dat ze je creëren
naar hun verbeelding en ondertussen
je realiteit vermalen tussen hun
weloverwogen kiezen.

Je zou denken dat vrouwen
die kauwen op hun gedachten
niet lijken op prinsessen.

Ze wachten en tussen hen
zal jij toch  kiezen. 

donderdag 1 november 2012

Over interdependentie en de liefde: een fundamentele benadering.


Nu hij zelf zo in de liefde verwikkeld was geraakt, had hij zin om een begin te maken met Saids liefdesverhaal.  Maar was deze kleine Said, amper twaalf jaar, niet wat jong om al verliefd te worden op Saliha?  Nee, Saïdjah en Adinda in de Max Havelaar waren ook al heel jong aan elkaar beloofd, dus dat kon best.  Hoe zou hij  Saids en Saliha’s liefdesverhaal kunnen enten op dat van Saïdjah en Adinda? Saïdjah die de buffels van zijn vader bereed om het land van de vader van Adinda te bewerken.  De perfecte interdependentie tussen twee families, die door elkaar werd gehaald door de hoge, blanke heren van Lebak die de buffels van de plaatselijke bevolking opeisten en zo dus het hele economische systeem in de war stuurden.  Waardoor Saïdjah gedwongen werd om elders brood te gaan zoeken en Adinda had beloofd op hem te wachten, zelfs 3 keer 12 manen lang. Dat bleek te lang, 3 keer 12 manen, want toen Saïdjah terugkwam in het dorp was Adinda verdwenen. Haar huis was zelf van de aardbodem weggeveegd.  En toen hij haar uiteindelijk vond, samen met haar vader en haar broers, een paar dorpen verder, was de desillusie totaal: naakt, dood en mishandeld door het Nederlands-Indisch leger.  Omdat ze gevlucht waren uit hun dorp, omdat ze de landrenten (lees buffels) niet meer konden en wilden betalen en dus als opstandelingen tegen het gezag werden aanzien....

Hoe kon hij deze verhaalstof extraponeren naar Said en Saliha?  In Marokko hadden ze geen band.  Said was van Berkane.  Saliha van Tanger.  In België hadden ze voorlopig een eenzijdige economische afhankelijkheid.  Saliha woonde bij hen in.  Said hielp Saliha met haar huiswerk.  Wat zat er in de pijplijn voor Said?  Had Saliha’s familie nog grond in Marokko waarop ze samen konden gaan wonen, weliswaar in een verre toekomst?  Of hoefde de liefde geen economische onderbouw te hebben?  Tussen hem en Karin was er duidelijk geen economische noodzaak.  Het was gewoon liefde of toch verliefdheid, ze konden elks in hun eigen levensonderhoud voorzien.  Maar wat als ze langer samenbleven, kinderen wilden maken?  Dan moesten ze toch groter gaan wonen.  En een huis kopen was iets, wat de laatste tijd door de stijgende vastgoedprijzen, alleen nog mogelijk was voor tweeverdieners, of voor mensen met familiekapitaal. Dus alle romantische gedachten ten spijt was Joppe er diep in zijn hart van overtuigd dat een relatie maar kon slagen als er een economisch fundament was.  Maar misschien waren Saliha en Said al doordrongen van de romantische westerse idealen en was er toch vooral eerst liefde?  Of moest hij de economie van een relatie breder zien dan louter geldelijke belangen? Konden andere verlangens ook tot die zogenaamde economie worden gerekend?  Het verlangen om graag gezien te worden, erkend te zijn in wie men is, bijvoorbeeld?  Om zichzelf als individu te kunnen respecteren en ontplooiïen had Saliha in de eerste plaats een dak boven haar hoofd nodig, wat Saids familie kon bieden. En Said had vooral erkenning nodig, erkenning van zijn dromen, hij moest zijn dromen aan iemand anders kunnen vertellen, anders bestonden ze niet, niet echt.  Zolang deze interdependentie bestond, was er kans op een opbloeiende liefde. 

Ze hadden er ruzie over gemaakt, over de economische interdependentie in de enge zin.  Hij en Karin.  Hij had geopperd dat hun liefde het economisch fundament van een eigen huis nodig had.  En zij was kwaad geworden, heel kwaad.  Dat hij zich voordeed als een antikapitalist en wereldverbeteraar, maar in werkelijkheid niets anders was dan een kleinburgerlijk mannetje met een baksteen in zijn maag.  ‘Wat wilde zij dan?’ had hij uitgeroepen.  ‘Een kraakpand om in te wonen?’  ‘ En waarom niet, alles beter dan jouw belachelijke voorstel om samen een huis te kopen!  Wie dacht er trouwens al aan samenwonen? Drie weken waren ze samen, drie weken!’ Joppe was in elkaar gezakt en beginnen huilen.  Dat had hij in jaren niet meer gedaan.  Gehuild.  En Karin had gelachen.  Erg hard.  En hij was beginnen meelachen.  Erg hard.  ‘Sorry’, zei hij met betraande ogen.  ‘Dat ik op zo’n loser ben gevallen’, glimlachte Karin.  Dat is toch wel erg jammer en ze kuste hem op zijn beverige mond.  ‘Dus, we stellen dat samenwonen nog even uit?’  ‘Ja graag, als dat kan voor jou.’  ‘Ja, natuurlijk, alles kan, ik heb me, geloof ik, een beetje idioot gedragen.’  ‘Jij bent gewoon soms te star voor woorden, samen een huis kopen en dat gedoe over de economische fundering van een relatie, griezelig hoor.’  ‘Ja, maar.’  ‘Nu niet opnieuw beginnen!  Ik verwacht van jou romantische liefde, niets meer, maar ook niet minder.  Capito?!’  ‘Capito.’ Joppe voelde zich echter een loser.  Hoe kon hij het haar duidelijk maken, dat voor hem die economische grondslag echt nodig was, dat hij niet geloofde in de romantische liefde.  Zou hij na drie weken zichzelf en zijn denkbeelden al laten opzijzetten voor haar definitie van de liefde?  Of verlangde hij eigenlijk ook naar die romantische liefde, maar durfde hij er gewoon niet op te vertrouwen?  Als hij heel eerlijk was, sprak er wel heel veel liefde uit haar weigering om samen een huis te kopen.  Ze wilde hem, niet zijn geld.  Toch kon hij deze weigering op huiselijk geluk moeilijk in die zin interpreteren.  Het liet een wrange smaak na.  ‘He, meneer beteuterd, gaat het alweer een beetje?’ ‘Ja hoor, geen probleem!’  Maar hij had gevoel dat de kiem was gelegd voor iets wat tot de splijtzwam in hun relatie kon uitgroeien.  Hij kon er zijn vinger nog niet helemaal op leggen en het was nog maar een champignonnetje, maar toch. 

De twijfel was binnengeslopen.  Joppe had haar altijd geïntrigeerd.  Hij leek zo mysterieus, helemaal geen type om op een bank te werken.  Ze was curieus naar wat er zich in zijn binnenste afspeelde, want zover ze wist, had nog nooit iemand kunnen binnenkijken daar.  Zijn antikapitalistische speech had haar in brand gezet.  Maar nu twijfelde ze of die uitlating geen eenmalige opflakkering was van zijn anders eerder dorre inborst.  Hij was tot weinig te bewegen, overpiekerde alles,  maar dan ook alles, had vreemde ideeën over relaties, die op zijn zachtst gezegd niet romantisch waren ingegeven en dan was er nog dat boek dat hij aan het schrijven was.  Ze vertrouwde er allerminst op en bedacht dat ze straks met een gefnuikte would-be-schrijver zou achterblijven.  Ze voelde de energie uit zichzelf wegstromen als was ze een geest die in een kruik werd gestopt om daar voor altijd weg te rotten. Een bittere trek kwam rond haar mond, want energie en enthousiasme, dat waren haar handelsmerk, die konden en mochten niet bedwongen worden door boze tovenaar Joppe.  Ze lachte om zichzelf bij die gedachte.  Had ze schrik van deze Joppe, deze man die in elkaar zakte bij een eerste woordenwisseling? Dat had ze nog nooit meegemaakt, een man die in elkaar zakte en begon te huilen.  Het paste haar niet, zij hield zich sterk, eender wat haar overkwam en deze man klapte gewoon bij het eerste misverstand als een kaartenhuisje in elkaar.  Die reactie stond zo ver van haar af dat ze alleen maar had kunnen lachen.  Tegelijk vond ze het wel aandoenlijk, die huilende man.  Maar wilde ze dat, een aandoenlijke man?  Wilde ze geen man, die groot en sterk en trots was, niet dit onzekere schepsel? Ze wist het niet meer en zuchtte diep.  

En als klap op de vuurpijl had hij haar meegevraagd naar zijn moeder.  De volgende dag al, om te gaan dineren met Jeanne en Richard.  Dat Joppe nu alweer in staat was om die man onder ogen te komen!  Karin meed angstvallig de nieuwe vlammen van haar moeder, en dat waren er nogal wat.  Om de paar maanden  diende zich wel een nieuw exemplaar aan.  Karin had haar moeder gezegd dat ze de volgende man die haar moeder aan de haak sloeg, pas wilde ontmoeten als de relatie de houdbaarheidsdatum van één jaar had overschreden.  Haar moeder had ingestemd op voorwaarde dat Karins nieuwe liefjes ook pas na een jaar over de vloer mochten komen.  Karin vond het best zo. Schoonkinderen en -ouders hoefden niet te veel te interfereren, een minimale schoonouderlijke interdependentie was te prefereren.  Ze moest giechelen. Ze begon al net als Joppe te klinken.  Een  weer ontsnapte een zucht haar.  De witte broodsweken waren alweer voorbij, zoveel was duidelijk, nu begon de zoektocht naar het evenwicht in de relatie: het wij, het ik en de ander en de driehoekverhouding daartussen.  Keer op keer vond ze de liefde niet groot genoeg om die zoektocht aan te gaan.  Misschien moest ze nu toch maar wat doorbijten, anders eindigde ze nog als de nymfomane die haar moeder was.  Ze zou Joppe wel eens naar haar vader meenemen als hij naar haar familie vroeg, maar eerst moest ze dat etentje ten huize Jeanne nog zien te overleven.  Hoe kwam het toch dat ze zo opkeek tegen alles wat met verplichtingen te maken had?  Nu ja, haar vrolijke zelf zou haar wel ter hulp schieten de volgende dag. 

maandag 24 september 2012

Jeanne


Ze zou het nooit gedaan hebben, mocht haar zoon in de buurt geweest zijn.  Dat klinkt een beetje flauw natuurlijk, ze kon toch niet alle verantwoordelijkheid van zich afschuiven en op haar enige zoon projecteren!  Nee, dat kan niet en dat mag niet, maar voor haar werkte het nu eenmaal zo. Ze was niet langer een moeder in functie en in haar binnenste, in een klein kamertje in haar lichaam was een deurtje opengegaan.  En door dat deurtje was een geile vrouw naar buiten geklommen die het gekwetste moederhart had aangegrepen om zich te manifesteren en de moeder buiten te gooien ten voordele van de minnares. De minnares in haar was weer opgestaan, noodgedwongen, uit eenzaamheid, doelloosheid.  Plotsklaps, zo op een avond.  Ze dacht dat ze de hoer in zichzelf de dag dat Joppe geboren was, de nek had omgedraaid. Voor haar waren het immers twee elkaar uitsluitende categorieën, moeder en hoer.  Zo was ze ook opgevoed.  Ze was een klassiek geval van kleinburgerlijke indoctrinatie.  

Haar vader was onderwijzer geweest in de katholieke normaalschool  en haar moeder bereidde de communikantjes van de parochie voor op hun plechtige communie. Vooral haar vader was erg streng geweest, hij zag de katholieke normaalschool als de kweekvijver voor het enige ware gedachtegoed: de katholieke leer.  Hij nam het woord 'katholiek' meer in de mond dan het woord 'hallo'. Jeanne had het eens geturfd in haar opstandige puberjaren.  In die katholieke normaalschool dus, werden onderwijzers gevormd tot plichtbewuste en strikte leerkrachten.  Jeanne, zo heette Joppes moeder, had de opleiding tot onderwijzeres bij haar vader gevolgd en was doordrongen van ‘plicht en deugdelijkheid’ als enige redmiddel tegen de zondige natuur van de mens. 

Ze had weliswaar een poosje geworsteld met de katholieke deugdelijkheid van haar ouders en dus was er een periode geweest van losbandigheid,  een periode waarin ze mannen versierde in Café Den Ondank en ze zonder scrupules met een tiental van hen het bed deelde.  Zo was zij plotsklaps alleenstaande moeder geworden en met het moederschap was het goed fatsoen weer in haar opgestaan en werd ze een nog grotere moraalridder dan haar moeder en zelfs dan haar vader. Ze verafschuwde het mannelijke geslacht, omdat zij hun verantwoordelijkheid niet durfden opnemen en liever op vrijersvoeten bleven dan zich te vestigen als vader van haar kind.  Dat ze geen van de mannen had laten weten wie de vader kon zijn, vond zij geen excuus.  Een echte man zou het vaderschap voelen als een soort roeping.  Wederom was dit een afschuiving van de eigen verantwoordelijkheid, die liet ze maar al te graag in de mannelijke schoenen van het dorp glijden.    

Dit wekte irritatie op onder de dorpsgenoten en dus vertoonde ze zich niet meer in Café den Ondank, maar eens te meer in de kerk waar ze de eerste vrouwelijke lekenpastor werd. Wat voor haar, voor Jeanne spreekt, is dat ze wellicht niet anders kon.  Opgevoed in een engdenkende familie met veel autoriteit en weinig vrijheid, wist ze de vrijheid van de volwassenheid niet te hanteren en verwerd ze tot een karikatuur van haar eigen goedebedoelende, maar wat kortzichtige ouders. De enige man in haar leven was Joppe, een verkleining van Job, van het Boek Job uit de Bijbel, de onschuldige die lijdt onder de willekeur van God...

Nu, na 30 jaar van seksuele onthouding vond ze uiteindelijk weer een man in haar bed.  Ze had een voorgevoel gehad die vrijdagavond, de avond voordat haar Joppe op bezoek zou komen.  Normaal zou ze de avond voor zijn komst al in actie schieten.  Ramen lappen, bed verschonen, zijn lievelingspyjama klaarhangen.  Dat soort dingen.  Deze keer zag ze de zin er niet van in.  Joppe was al meer dan een half jaar niet meer langs geweest.  En elke keer had ze zich stoer gehouden en het gebruikelijke voorbereidingsritueel uitgevoerd.  Elke keer, tot nu.  Nu wilde ze niet meer.  Haar lijf wilde niet uit de zetel opstaan om zijn plicht te doen. Haar lijf wilde nog enkel uit de zetel opstaan om iets wilds te doen, iets onconventioneels vrij en wild!

 Ze was naar Café Den ondank gegaan en ontdekte dat de rode gordijnen, de neonverlichting achter de toog, noch de muziek waren veranderd.  Alleen het publiek was veranderd. Vroeger was dit een jongerencafé geweest, maar het café was meegegroeid met zijn cliënteel en dus had het cafépubliek de gemiddelde leeftijd van de middelbare leeftijd.  Het publiek was dus eigenlijk misschien nog het minst  van al veranderd.  Nog steeds dezelfde mannen en vrouwen.  En dat publiek keek dan ook vreemd op, toen het Jeanne opmerkte.  ‘He Jeanne, de weg kwijtgespeeld?’ vroeg Tuur van achter de toog.  ‘Nee, ze is eerder van de goede weg af’, grapte Filip  en hij wees naar haar rode lippenstift.  

 Jeanne deed of ze het niet hoorde en bestelde liefjes een rode porto waarna ze zich in een hoek van het café zette.  Nog geen 10 minuten later vroeg ene Richard haar ten dans.  Salsa, ze kende de dans niet, maar hij nam de tijd om het haar te leren en die aandacht deed haar helemaal wegsoezelen en onder het bewonderend oog van de cafégangers danste ze de jarenlange voor zichzelf opgeworpen terreur van zich af.  En ze belandde met Richard in bed en voelde zich weer 20, maar dit keer hoefde zich geen zorgen te maken over een mogelijke zwangerschap, over mogelijke verantwoordelijkheden en dus bleven haar fatsoensnormen veilig weggeborgen.  Of toch voorlopig.  Een week lang leefde ze in zonde met haar Richard, die overdag gitaar speelde en sigaretten rookte en ‘s avonds Jeanne in bed te grazen nam.  Een week lang beleefden ze hun wittebroodsweken en roddelde het dorp er op los.  De heilige Jeanne was teruggekeerd naar haar losbandig leven. Als dat maar goed ging.  De zevende losbandige dag stond haar zoon voor de deur.   

In peignoir stond ze hem te woord, maar ze liet hem niet binnen.  ‘Mama, je doet zo raar, waarom laat je me niet binnen?’  ‘Maar, je had toch helemaal niet gezegd dat je vandaag zou komen.’  ‘Mama, wat doe je raar?’  ‘Jeanne, wie is daar’, riep een mannenstem uit het huis.  Joppe stond perplex en keek zijn moeder vragend aan.  Ze opende zuchtend de deur en Joppe stormde de keuken in waar Richard in bloot bovenlijf wortels stond te raspen. Hij zat helemaal onder het wortelsap en grinnikte naar Joppe: “Jij moet Joppe zijn en stak hem zijn bonkige hand toe.” Joppe voelt een diepe woede in zich opborrelen.  Oh, wat wilde hij dat hij even kon verdwijnen in de sprookjes van 1001 nacht en daar betoverd water kon stelen om er deze grijze rocker mee te besprenkelen, zodat hij in niets minder dan een vuile straathond kon veranderen.  En oh, wat verafschuwde hij zijn moeder die na al die jaren toch de lasterpraatjes van het dorp bleek waar te maken.  En voor hij het wist stond hij te schelden als een dolle hond en klemde zijn moeder zich vast rond zijn maaiende armen.  Hij beet in haar omklemmende arm en riep, woest: “En wie is deze man.  Eén van mijn zovele potentiële vaders?  Waar haal je het recht vandaan om mij een vader te misgunnen en van zodra ik je even de rug toekeer toch dat gehate mannelijke geslacht op te zoeken? Wat ben ik dan, je stand-in-man?”

“Nee, Joppe, je bent mijn zoon.  En je mag dat zo allemaal niet bekijken. Als moeder alleen had ik gewoon geen tijd om een man te zoeken en nu kwam die ruimte er plots wel.  Ik heb je nooit als stand-in gezien.  Jij bent…” En zijn moeder zakte als een pudding, waarvan iemand het velletje had afgeschraapt, in elkaar en Richard raapte de pudding op, deed haar het moedervel weer om en stak haar in bed.  Joppe belandde alleen aan de keukentafel, dronk thee en staarde uit het raam en keek nergens naar, zoals dat gaat bij staren.  Richard kwam er bij zitten: “Ze is wat gekalmeerd nu. Jij?”  “Mwa.”  Stilte.  Een ongemakkelijke stilte, zoals een stilte alleen maar kan zijn tussen twee rivalen, nadat het bindmiddel er tussen uit is geknepen.   

“Het was gewoon liefde op het eerste gezicht”, begon Richard om de boel te lijmen.  Joppe barstte in lachen uit.  “Komaan man, dat wil ik toch allemaal niet horen.  Als mijn moeder van bil wil gaan, dan is dat haar zaak.  Bespaar me je zoete praatjes.”  Weer een stilte, minder lang deze keer, maar nog ongemakkelijker. “Maar Joppe, ik heb het echt goed voor met je moeder en misschien kan ik wel de vader voor je zijn die je altijd hebt gemist.” Joppe bekeek de overjaarse rocker naast hem.  Weer een geval van een uiterlijk dat niet paste bij de inhoud.  Eerst Karel, de sympathieke gladde aal.  Dan Karin, het intelligente domme blondje en nu deze rocker.  Het uiterlijk van een rocker gebruiken als dekmantel voor het ergste soort pastoor of therapeut. Hij bedankte ervoor. 

maandag 27 augustus 2012

Wat heb jij een grote oren...


Said had de hele tijd naar zijn grootvaders oren zitten kijken, naar die gigantische oorlellen. Zou hij later ook zulke oorlellen krijgen of was zijn opa zo geboren? Terwijl hij gebiologeerd naar die lellen bleef kijken, vertelde zijn opa over een akelige vrouw die vroeger bij hen aan de rand van het dorp had gewoond.  Deze vrouw was erg lelijk geweest.   Zo lelijk dat niemand ooit met haar gesproken had.  Haar lelijkheid was voortgesproten uit een natuurlijk mankement: een vooruitstekend kinnebakkes, met ondertanden die ver voorbij de boventanden kwamen. 
Ware het daar maar bij gebleven! Dan had ze misschien nog iets van een sympathieke dwaas gehad kunnen hebben.  Het erge was dat ze haar geprononceerde ondertanden probeerde te verstoppen door te trekken aan haar bovenlip.  De hele tijd zat ze met haar worstenvingertjes te trekken aan de steeds langer wordende bovenlip.   Ze trok net zo lang tot  haar bovenlip helemaal tot over haar puntige onderkin viel.  De ondertanden, die bij gebrek aan weerstand van de boventanden konden blijven groeien, groeiden dwars door de uitgelebberde en van gestriemd vlees voorziene bovenlip heen. 
Ze had dus zichzelf- met een ijzeren wilskracht, het moet gezegd- de mond gesnoerd, met haar eigenste tanden!  Er werd gefluisterd dat ze alleen maar vloeibaar voedsel tot zich kon nemen, dat ze naar binnen kon steken langs de zijkant van haar mond waar  zich nog een kleine uitsparing bevond.  Maar anderen spraken nog kwader over haar.  Ze zegden dat deze tronie bij volle maan toch haar mond kon opendoen en dat ze dan een jongeman uit het dorp verslond, uit pure rechtvaardige wraak.  Omdat de mannen met haar lachten, omdat de mannen nooit met haar wilde spreken!  Terecht, had Said gedacht, maar dat had hij niet durven uitspreken, niet tegen zijn opa met de gigantische oorlellen.  Zou hij er aan zitten trekken hebben vroeger, net zoals die akelige vrouw had gedaan?  Said keek nog eens goed naar zijn grootvaders gezicht, maar hij kon niets ontdekken in het vriendelijke gezicht dat hem aan het trekken zou hebben gebracht. 
Op een dag was een jongeman uit het dorp toch verliefd geworden op deze zonderlinge vrouw, vertelde zijn opa, of hij was uitgedaagd door zijn vrienden, zoiets wist je natuurlijk nooit zeker en hij klopte in een stoutmoedige bui, bij haar aan.  Ze schoof een briefje onder de deur: ‘Ga weg, ellendeling en kom hier nooit meer weer!’  Hij begon haar schoonheid te roemen en wist dat ze luisterde.  Hij sprak van de glans in haar ogen, de kwetsbaarheid van haar hart en de zachtheid van haar trekken.  Een tweede briefje volgde: ‘Ga weg, leugenaar!’   Daar kon de jongeman echter geen genoegen mee nemen en omdat zij aan zijn mooie praatjes geen gehoor wilde geven, nam hij het heft in handen.  Hij beukte de deur in, nam de vrouw op zijn rug en holde met zijn afzichtelijke last de bergen in.  Wat een prachtige intertekstualiteit naar Multatuli: hij die veel gedragen heeft.  Of zou de lezer zoiets niet zien, zou dat te veel ‘spielerei’ zijn, zonder inhoud?  Nee, nee, de belezen lezer zou best wel het verband kunnen zien tussen een man die een verstoten vrouw de bergen in draagt en Multatuli, de man die de last van het Javaanse volk op zich nam. Beiden komen op voor de zwakken, voor de zwartgemaakten, de onderdrukten.  Wat is er bovendien zwaarder te dragen dan de last van een lelijke vrouw?
De vrouw zat ondertussen doodsbenauwd op de rug van haar vermeende minnaar en gilde het uit van uitzinnige paniek.  Zij was gewoon aan laster en spotternij, maar dit sloeg alles, een man die beweerde haar te beminnen...  Even speelde ze met de gedachte geloof te hechten aan zijn liefdesverklaring,  tot zij weer tot zichzelf kwam...  Ze verlaagde haar stem en diepe smakgeluidjes leken helemaal vanuit haar maag naar boven te borrelen.  Nu was het de beurt aan de jongeman om bang te worden.  Hij kende de verhalen uiteraard wel, maar had er, wee zijn gebeente, nooit geloof aan willen hechten.  De vrouw fluisterde in zijn oor: ‘Wat heb jij een sappige oren...’  En ze beet, loeihard en de jongen loeide terug en kieperde de lelijke vrouw in één forse  beweging van zijn rug en ze rolde.  Ze rolde lelijk en wel  de berg af, die hij met haar had willen beklimmen, had zij maar haar identiteit kunnen loochenen: een fatale vrouw!   ‘Het zal hem leren, die hoogmoedige jongeman die geen geloof wilde hechten aan de verhalen van zijn cultuur,’ fluisterde opa. ‘Vergeet nooit waar je vandaan komt en wie je bent!’ Said knoopte het diep in zijn kleine jongensoren. 

maandag 23 juli 2012

Joppe



Om klokslag 5 uur zat hij in Café Horta.  Als eerste, te sjofel voor het café, te opgedirkt om voor schrijver op een zolderkamer door te gaan. Vis noch vlees.  Hij voelde hoe de smaak van zijn eigen middelmatigheid van diep in zijn ingewanden naar boven borrelde en zich vast zette in een witte aanslag op zijn tong, met een kurkdroge mond  tot gevolg.  Karin kwam binnen met een Blonde God achter haar, perfect in driedelig pak, tandpastaglimlach en brillantine in het naar achter gekamde haar.  Het perfecte plaatje waar Joppe normaal gezien een hekel aan had, maar hij moest toegeven dat deze god iets sympathieks over zich had en hij leek een tikkeltje gay.  Misschien dat dat hem sympathiek maakte: liever een nette homo dan een gladde hetero.  Karin kwam enthousiast naar hem toegelopen: ‘Joppe, dit is Karel.  Karel, dit is Joppe. Voila, nu kennen jullie elkaar.  Ik zou heel graag blijven, maar ik heb afgesproken met mijn moeder en zij wacht niet graag.  Je weet hoe moeders zijn.  Veel plezier, jongens!’  En weg was jolige Karin.  En alleen waren de Blonde God en hij, de vleesgeworden middelmatigheid. 
Karel keek hem een beetje scheef lachend aan.  ‘Tja, we zullen er maar het beste van maken he!’  En hij knipoogde naar hem.  Hij knipoogde naar hém, Joppe!  Dacht Karin dat hij homoseksueel was?  Dat misverstand moest hij zo snel mogelijk de wereld weer uithelpen.  ‘Euh’, begon hij. 
‘Wacht even, Joppe, eerst even iets bestellen’, werd hij vlot onderbroken door de Blonde God.    ‘Voor mij een Kir, wat jij, Joppe?’  ‘Euh, doe maar een witte martini.’  Een witte martini, hoe kwam hij daar nu weer bij.  Witte martini-gay, gay, gay- ging zijn eigen alarmbel.  Niet aan denken, wegduwen, een normaal gesprek beginnen.
‘Hoe is het op de bank, wil het werk wat vlotten?’ vroeg hij aan de Blonde God. 
‘ Ja, super, dank je.  Je dossiers waren in een onberispelijke staat.  Je lijkt me een echte vakman!’
Oh neen, daar begon het vleien al. Hoewel hij wel oprecht leek.  Wat een vreemd figuur was deze Blonde God, glad als een aal en toch zo eerlijk.  Kon dat?  Of was die eerlijkheid een pose, een versiertruc om sjofele mannen in zijn bed te praten? Misschien zocht hij weer te veel achter de dingen.  Misschien was dit afspraakje echt bedoeld om van gedachten te wisselen over de job.  Maar wat kon hij deze man nog leren?  Deze Karel was duidelijk een veel beter verkoper dan hij en dat was toch wat ze eigenlijk waren: verkopers met een zekere vertrouwensfunctie.  Hij had altijd een soort raadsman voor de mensen willen zijn, maar als hij eerlijk was, was hij gewoon een slecht verkoper geweest.  Economisch gezien toch, moreel voelde hij zich steeds dat tikje meer dan zijn collega’s.  Kon hij daar over beginnen met deze Karel?  Een boompje opzetten over de uitwassen van het kapitalistische systeem leek wel erg ver weg van de realistische mogelijkheden. 
‘Karin zegt me altijd dat jij zo integer omging met de klanten, dat jij in eer en geweten nooit een klant hebt belazerd.  Dat fascineert me.’ 
Wat nu gedaan?  Een kapitalist op kousevoeten of was het een wolf in schaapskleren?  Dit was te gek voor woorden. 
‘Ik meen het hoor.  Het is een hele kunst om in dit vak jezelf te kunnen blijven en je niet te laten imponeren door de richtlijnen van hogerop.  Hoe doe jij dat?  Of hoe deed jij dat, mijn excuses.  Of wil je er liever niet meer over praten?’
 ‘Jawel natuurlijk, daarvoor zijn we toch hier. Ik vertrek gewoon van mezelf als ik mensen een bepaalde vorm van pensioensparen voorstel, excuseer, voorstelde. Ik word zelf niet graag bedrogen.  Dat houd ik me altijd voor.  Doe niet aan een ander, wat je zelf ook niet zou willen.  Ik vraag/vroeg me altijd af voor welke specifieke vorm van pensioensparen ik zou kiezen, mocht ik me in de financiële toestand van mijn cliënt bevinden en dan keek ik ook nog naar de persoonlijkheid, want het is niet omdat iemand de middelen heeft voor een risicovolle portefeuille dat die persoon dat ook emotioneel aankan. Dat is een moeilijke opgave en vraagt veel empathie.  Daarenboven heb je nog je eigen ideologische voorkeuren.  En die moeten, vind ik, ook te rijmen zijn met wat je je cliënten aanbiedt.  Mijn empathie is dus wel begrensd. Ik ga dus geen opties aanbieden die ik verwerpelijk vind. Ik vind niet dat mensen om maar het hoogst mogelijke pensioen op te bouwen hun geld moeten steken in allerlei multinationals die niet zuiver op de graat zijn, ik suggereer te investeren in kleine plaatselijke bedrijven, met goede arbeidsvoorwaarden en strenge milieurichtlijnen.’  Hij stond versteld van zijn eigen spraakvaardigheid.  Deze ideeën had hij nog nooit tegenover iemand uitgesproken of toch niet zo direct.  Hij hoopte maar dat Karel zijn mond hield tegen Karin.  Straks zou ze weer kunnen lachen met hem, ‘Joppe, de wereldverbeteraar met zijn principes’. ‘Daar ben ik dus jaloers op’, zei Karel.  ‘ Ik geloof niet dat ik veel principes heb als het aankomt op het aansmeren van contracten aan mijn cliënten.  Dat zit me echt een beetje dwars de laatste tijd.  Ik word bejubeld door de directie, maar voel me hoe langer hoe meer een marionet.  Tragisch eigenlijk.  Karin dacht dat jij me misschien wel zou kunnen helpen.  Ze heeft echt een hoge pet van je op, wist je dat?  Vind je haar ook zo’n schat?’ 
Een marionet, Karin die een hoge pet van hem op had....  Het duizelde Joppe een beetje. 
‘Ik zie dat ik je wat met mijn verhaal overval.  Je denkt misschien: wat heb ik hier mee te maken?  En dat is helemaal terecht, ik verlang ook niks van je.  Ik wilde gewoon eens van gedachten met jou wisselen, als jij dat ook wil natuurlijk. Opteer jij nooit voor de meest risicovolle portefeuilles?’  ‘Nooit is een groot woord maar in ieder geval heel zelden en dan duid ik mijn cliënten heel helder op de risico’s en ik geef het daarenboven  alleen als optie als het gaat om mensen die zich grote risico’s kunnen permitteren.  Dan bied/bood ik het dus wel soms aan. Het is als bankbediende immers ook nog je taak om de economie mee draaiende te houden.  Daar kan je nooit helemaal onderuit. Als je daar niet tegen kan, dan moet je er uit stappen.  Wat ik uiteindelijk heb gedaan.’  Deze laatste zin fluisterde hij bijna, zo genegeerd voelde hij zich om zoveel openheid.  Karel leek het niet te merken en ging gewoon verder met hem te complimenteren, wat hem nog meer in de verlegenheid bracht. 
‘Jij hebt echt overal een antwoord op.  Weet je dat ik dat verschrikkelijk knap van je vind?’
Dit was gewoon verleidingspraat, dat kon niet anders.  Eerst werd hij verleid tot het uiten van zijn meest intieme gedachten en nu werd hij erom geroemd.  Hij moest die geslepen Blonde God nu stoppen. 
‘Joppe’ en de Blonde God nam Joppes hand vast, ‘ik zie dat ik je in verlegenheid breng en dat is echt niet de bedoeling.  Ik weet dat Karin stiekem hoopt dat het tussen ons iets word, maar ik kan je verzekeren dat ik daar niet van uitga, dat ik hier vooral ben op professionele basis ben en geen verlangens in een andere richting koester.  Of toch voorlopig niet.’  En weer een knipoog. 
Joppe dacht dat hij ter plekke door de grond zou zinken.  Hier zat hij dan in de verkeerde outfit hand in hand met een verkeerde man.  Hoe moest hij zich hier uit redden?  Waren alle homoseksuelen zo open, zo direct als deze Karel hier? 
‘Karel’, begon hij moeizaam, ‘ik ben niet zo, niet zo, je weet wel, zoals jij.’ 
‘Je bedoelt dat je niet homoseksueel bent?’  ‘Ja, dat!’. 
‘Natuurlijk, geen probleem. Dan heeft Karin een wat genante inschattinsgfout gemaakt.’ En Karel knipoogde weer.  Oef, dat ging redelijk vlot.  Maar Karin dacht dus dat hij homoseksueel was.  Dacht iedereen dat op de bank?  Dachten ze dan dat hij zich niet had durven uiten, dat hij daar misschien mee worstelde en daarom zijn job had opgezegd?  Jezus, wat een soep. 
‘ Ik stel voor dat we deze genante vertoning dan maar staken,’ stelde Joppe op een stoerdere toon voor dan hij zich voelde.  Karel leek zich niet in het minst beledigd te voelen, al dronk hij wel erg snel zijn laatste slok Kir op, strooide wat kleingeld met een zwierig gebaar en verliet het pand.  Joppe keek de Blonde God na en vroeg zich af hoe Karin zich deze match had voorgesteld.  Als hij heel eerlijk was, begreep hij het misverstand ook wel. Hij, de eeuwige vrijgezel, met gelsloten doch gevoelige inborst.  Wie zou dan niet aan homoseksualiteit denken.  Lag het zo eenvoudig maar!  Hij was tot iets veel hogers geroepen, een veel grotere taak: Said! 
Hij stond op de drempel van het klaslokaal aan de vloer genageld.  Al die bleke gezichten, die grote blauwe ogen die op hem gericht waren en door zijn kleren heen naar zijn olijfgroenig vel staarden.  De juffrouw wees hem een leeg plekje helemaal vooraan in de klas. Hij kwam terecht naast een meisje met blondje vlechten en vlekjes op haar neus.  Haar ogen waren staalgroen.  Ze keek hem even onderzoekend aan en gaf hem dan een klein rozig wit  handje.  Hij nam het vast en vergat het vervolgens weer  los te laten.  De hele morgen zat hij hand in hand met het meisje in de klas en zij leek er geen bezwaar tegen te hebben.  Terwijl zij vreemde woorden nazegde die de juffrouw voorzei, zat hij uit het raam te staren naar de tikkende regen op de speelplaats.  De druppels plensden uit elkaar op de harde stenen en vonden elkaar weer in diepe plassen die zich her en der op de speelplaats vormden. Said beeldde zich in dat hij van de ene plas naar de andere sprong en dat zijn opa achter hem aanzat: ‘Blijven springen, Said!  Sneller, Siad!  Pas op dat de plassen je niet naar beneden trekken naar de ondergrondse waterwereld.  Want wie daar eenmaal is, geraakt nooit meer naar boven.  Wie daar terecht komt, zal zijn leven lang moeten zwoegen, wil hij niet verzuipen in het water dat alsmaar komt binnenstromen in de ondergrondse mijnen.  Onder de Schelde woont en werkt een heel leger ongelukkigen dat in de diepe onderwaterse goudmijnen goud moet ontginnen om het in de rivier te storten, zodat de mannen aan de kade gewoon het goud uit het water kunnen scheppen met hun grote machtige kranen.  En dit leger moet vechten.  Vechten tegen het water alsmaar binnenstromende water, zwoegen tegen het water om datzelfde water van goud te voorzien.  Dacht je dat alles zomaar vanzelf komt?  Vergeet het maar Said!  Tegenover elke lust staat een last, Said!  Vegeet dat nooit.  In naam van de rijkdom worden heel wat mensenlevens opgeofferd.  Zorg ervoor dat jij niet geofferd wordt als een onschuldig lam.  Laat je niet slachten op de pijnbank van het geld.  Dat verdien je niet, Said! Dat verdien je niet!’ Said werd bang, doodsbenauwd kreeg hij het.  Zou zijn vader in deze verschrikkelijke onderwaterwereld werken, elke dag zwoegend om anderen rijk te maken en zelf bijna te verdrinken?  Mocht hij daarom niet mee naar de haven?  Omdat zijn vader daar niet aan de juiste kant stond, niet aan de kade, maar diep onder de grond? 
‘Said, Said!’ zei de juf wie weet hoeveel maal al.  Ze brabbelde iets in dat onverstaanbare Nederlands en keek naar hem.  Weer zei de juf iets en zijn buurmeisje met de blonde vlechten zei iets terug.  Ach ja, ze waren nog steeds woorden aan het nazeggen.  Nu was het weer zijn buurt, de juf keek hem strak aan. ‘Bom,’  zei hij, zoals hij het meende gehoord te hebben.  De hele klas lachte.  De juf bracht hen tot bedaren en zei het woord nogmaals voor: ‘Boom’.  ‘Boim’ zei hij zachtjes en hij hoorde dat het er nog niet helemaal naar klonk, maar de juf leek tevreden, want ze liet hem verder met rust.  Said spartelde de dag door en om half 4 stond zijn moeder weer bij de poort, heel gewoon of hij niet net door de allerakeligste hel was gegaan.  Ze lachte en zwaaide en toen hij zijn hoofd in haar rokken verborg, aaide ze hem zachtjes sussend over het hoofd: ‘Morgen gaat het al een stukje beter en de dag daarna nog een beetje en voor je het weet heb je nooit anders geweten en ben je Marokko helemaal vergeten.’  Marokko vergeten?  Dat nooit.  Misschien zou hij het hier stilaan gewoon worden, maar ook dat betwijfelde hij.  Zijn plan om zo snel mogelijk terug te keren kreeg nog vastere vorm in zijn zesjarige kinderbrein en bij wijze van bevestiging beet hij hard in zijn moeders dijen.  Ze gilde het uit en gaf hem een tik rond zijn oren. 

Moeder, ‘k ben wel ver van ’t land,
waar me het leven werd geschonken,
waar mijn eerste  tranen blonken,
waar ik opwies aan uw hand...
van de knaap haar zorgen wijdde,
en hem lijfdrijk stond ter-zijde,
en hem ophief als hij viel...
schijnbaar scheurde, ‘tlot de banden
die ons bonden, wreed van –een.

Zo reciteerde Frits op de theekrans bij de Rosemeyers, die in suiker doen,  in Multatuli’s Max Havelaar.   Migratie scheurt kinderen uit hun land als een personage uit een boek. Neem nu deze Frits uit de Max Havelaar, zonder de Max Havelaar is hij toch niemand meer, heeft hij geen identiteit, weten we niets van hem. Pas in die roman krijgt hij een verhaal. Zo gaat het ook met kinderen die met of tegen hun wil naar een ander land migreren. Om de metafoor duidelijk door te trekken nemen we het voorbeeld van roodkapje.      
Stel je voor dat roodkapje uit het sprookjesbos wordt geroofd en thee met dadels moet brengen in één of ander zandland aan één of andere grootmoeder die ze niet kent, met wie ze taal noch verhaal deelt.  Weg is de afgebakende dreiging van de wolf, weg zijn de platgetreden paden die ze moet bewandelen.  Alles is dreiging geworden, deze hele nieuwe wereld lijkt voor Roodkapje één grote boze wolf, die haar niet hebben wil, tenzij om haar te verslinden.  Het arme kind zal snel genoeg sterven in de onherbergzame woestijn. Haar enige mogelijke redding is een warmhartig woestijnvolk dat haar de weg wijzen wil.  Maar ook al zijn er zulke wegwijzers voorhanden, die haar wijzen op mogelijke nieuwe wegen en levenswijzen, de richtingsaanwijzers van haar geboorteland geraakt ze nooit meer kwijt, die zijn voor altijd in haar huid gegrift, in haar hart, in haar handen, in haar tweemaal daags gepoetste tanden.  Zelfs al vernieuwt elke cel van haar lichaam zich, toch zal er steeds een blauwdruk worden doorgegeven, als een stempel die na duizend vellen nog niet verbleekt is.  En de leegte die roodkapje achterliet in het sprookjesbos? Die zal snel genoeg worden opgevuld, door een nieuw meisje, met een nieuw verhaal.  Terugkeren is onmogelijk, want alles zal herschreven zijn en al even onbekend zijn geworden als dat ander land, dat onherbergzame zandland. 
Joppes moeder belde.  Klagend, dat ze al in tijden haar enige zoon niet meer gezien had.  ‘Waarom kwam hij nooit meer langs?  Was hij zo druk bezet dat hij de stad niet meer verlaten kon?  Een beetje frisse lucht van op de buiten zou hem nochtans deugd doen.’  Zijn moeder woonde in een klein gehucht ten westen van Antwerpen, over ‘Het Water’ zoals men dat zei.  ‘Het Water’ was natuurlijk ‘de Schelde’ en men woonde ‘erover’ als men op de linkeroever woonde.  ‘Erover’ wonen gold in de stad als een teken van achtergesteldheid, want het echte leven speelde zich natuurlijk IN de stad af.  Maar genoeg over al die voorzetsels.  In, achter of over, feit was dat in het dorp waar zijn moeder woonde het begrip ‘Katholiek Vlaanderen’ nog een vlag was die een lading dekte.
Hij hield de hoorn zo’n 10 cm van zijn oor, zoals hij elke dag deed, zodat hij de litanie van verwijten langs zich heen kon laten gaan, recht de eeuwigheid in.
‘Joppe?’  Ben je er nog?’
‘Ja moeder!’
‘Hoe gaat het met jou?’ Is het nu al wat geworden tussen jou en die Karin?
‘Karin?’
‘Ja, Karin van op de bank.  Je moet een moeder haar zoon niet leren kennen.  Ik weet toch dat je al lang een boontje voor haar hebt.’
‘Moeder ik zou willen dat je je niet meer met mijn leven bemoeit!’ 
En hij gooide de hoorn neer.  Dat was snel gegaan.  Het kortste gesprek ooit. Hij stond nog na te trillen van zijn eigen daadkracht toen de telefoon opnieuw rinkelde.
13 keer.  Wat dacht dat mens, dat hij nu nog zou opnemen?  Maar na de dertiende rinkel was het niet zijn moeder die het antwoordapparaat bevuilde met haar zeurende stemgeluid.  Het was een ver en vreemd en bovenal zachtmoedig geluid.  Als vanuit de buik van een walvis op de bodem van de zee sprak deze stem tegen hem:
‘Dag Joppe, heb je even tijd om naar mijn verhaal te luisteren?’  En zonder zijn antwoord af te wachten stak de stem van wal.
‘Er was eens een koopman die goed zijn brood verdiende,’ zei de zoetgevoisde stem.  ‘Hij had een kleine kruidenierszaak en leefde samen met zijn lieftallige moeder boven de winkel. Ze leefden daar in volstrekte harmonie en de winkel werd een vaste waarde in de kleine dorspgemeenschap.  Na 7 voorspoedige jaren wilde de koopman echter de wijde wereld intrekken.  En omdat hij angstig was dat hij zou bevangen worden door twijfel, hakte hij snel de knoop door.  Hij verkocht zijn winkel en vertrok.  Om haar niet te verontrusten had hij zijn oude moeder niks verteld. De avond voor zijn vertrek bracht hij haar op de hoogte en stelde hij de nieuwe koopman aan zijn moeder voor.  Ze reageerde beminnelijk en begripvol.  Na 7 jaar van moeilijke maar leerzame omzwervingen in de wijde wereld, ging de verloren zoon zijn moeder weer opzoeken.  Ze omhelsde hem, maar wanneer hij ‘s nachts te slapen lag, nam zij een gevulde kruik en sprenkelde het water  over hem uit, terwijl ze fezelend, maar net luid genoeg opdat de goden haar konden horen, een vloek over haar zoon uitsprak.  Toen hij wakker werd, bleek hij zo mak als een lammetje.  Letterlijk dan.  Zijn bloedeigen moeder had hem omgetoverd in een mak lam.’
De stem viel weg.  Joppe bleef naar het antwoordapparaat staren.  Hij drukte op de terugspoelknop.  Er stond niets op het bandje. Was hij stillaan gek aan het worden?  Nam zijn fantasiewereld de overhand, was dit het risico van het schrijversvak, overspoeld te worden door verhalen die van overal kwamen, verhalen die zijn leven zouden gaan dicteren?  Waar zat hij met zijn zelfbewustzijn als zijn onbewuste via allerlei sluipwegen de controle kon overnemen?  Moest hij luisteren naar die oncontroleerbare brij die verhalen in het rondspoot als diarree, alsof het  riooldeksel van zijn innerlijke shit was gelicht?  Wat wilde dit via de telefoonlijn binnengeslopen strontverhaal hem bijvoorbeeld zeggen? Dat hij het goed moest maken met zijn moeder, dat hij zich schuldig diende te voelen dat hij haar nog steeds niet verteld had dat hij zijn job had opgezegd of integendeel dat hij de macht van zijn moeder moest ontvluchten, dat hij anders in een mak lam zou veranderen en nooit zelf de controle zou krijgen, nooit het heft in eigen handen zou krijgen?  Maar wat is dat het heft, waar zit het handvat dat hij nu moet hanteren? Wilde hij dít toen hij zijn job opzegde?  Overspoeld worden?  Hij stokte, het duizelde hem: Karin, zijn moeder, de vermeende homoseksualiteit, het lam dat hij dreigde te worden, verhalen die achter elke hoek op de loer lagen om hem te overmeesteren, kleine Said die hem uitlachte en hem de rug toekeerde. Het leek wel alsof diep in hem, iets was losgebroken, iets wat hem, Joppe aan het uitlachen was.   
Hij keerde terug naar zijn schrijftafel om zijn demonen te bedwingen.  Discipline, dat was wat goed schrijverschap vroeg, dat was het handvat zijner zelfcontrole.  Hij schaamde zich diep dat hij zich zo had laten overspoelen.  Waar was zijn oorspronkelijk aandrift tot redelijkheid?  Het enige wat hem te doen stond, was zijn verhaal schrijven over Said en zijn volwassenwording. 

donderdag 2 februari 2012

Binnen en buiten


Duw niet naar binnen wat al buiten lag,
je hebt er niets meer mee te maken. 
Duw niet naar binnen wat vanbinnen ligt,
het is er al. 

Het getouwtrek duwt binnenstebuiten
wat niet mag.  Jij fluit me terug.
Verboden terrein,
ik lig eruit, een tweede huid die niet meer past.     

Ik loop naar buiten met mijn binnenkant 
en vraag me af of ik dat vroeger ook wel zag,
als iemand anders
binnenste-buiten en kwetsbaar
voor de dag. 

maandag 30 januari 2012

Stroom


Mijn levensvreugde kapseist in toevallige momenten
die de vergeefse stuwing van de zee missen. 
Wie dit begrijpt, heeft te veel poëzie gelezen
En stroomt vanzelf met de beelden mee. 

Ik hou van jou?  Begrijp je dat? 
Of  maakt mijn schipbreuk je misselijk
En bang voor wat je vlees verschuilt?

Je zegt: ‘Stil toch.’- trekt me diep het water in
En toont me hoe ik op mijn woorden drijven kan.

vrijdag 27 januari 2012

Een meisje van 14...


Waarom gaan mensen naar voordrachten luisteren of naar theater, nog zo’n zinloze bezigheid? 

Ik denk dat mensen komen voor wat ze noemen: een goei verhaal! 
Even druk  van de ketel en dan vluchten in een schone fantasie. 

Een schoon verhaal dus.  Laten we de proef op de som nemen. Zou ik u kunnen wijsmaken dat 'ik' de boze wolf ben en dat straks door die deur daar, die daar staat in de hoek van de kamer waar we ons nu bevinden, roodkapje binnenkomt.  Ze kijkt eerst met bange oogjes naar binnen, want er is toch duidelijk iets ‘anders’ aan de hand in het huisje van grootmoeder.  Het ruikt er anders, de sfeer is beklemmender en niet te vergeten is roodkapje op haar weg hierheen 'mij', de boze wolf dus, al tegengekomen en dat laat haar natuurlijk niet onberoerd. De boze wolf stelt alles in een ander daglicht, dat weet elk meisje van 14. 

Wellicht is dit verhaaltje van de boze wolf niet zo aannemelijk, iedereen kent het al, ik ben een vrouwelijk schrijfster die me voordoet als boze wolf, hmhm…. Matige score op de schaal der geloofwaardige verhalen. 
En toch.  
Misschien is uw drang als lezer of toehoorder, uw drang tot een 'goei' verhaal wel even sterk als Sebastiaans drang tot het spinnen van een web.  En dus verdraagt u in functie daarvan een hoop onhandigheid en  beginnersfouten van dat piepkuiken van een schrijfster  Het moet wel een beetje goed gedaan zijn.  Het mag een beetje cliché en voorspelbaar zijn, maar ook niet te.  Het mag nog wel een pietepeutje verrassend en goed opgebouwd zijn.  En dan laat een publiek meestal zijn scepsis wel varen of dat meen ik toch bij mezelf te observeren als ik in de publieksrol zit: Als publiek wil ik heel wat slikken. 

Terwijl in het echte leven.  Nee, daar hanteer ik de scepsis juist als richtsnoer voor het dagdagelijks handelen. Ik ga niet in zomaar in eender wat geloven.  Als ik naar de winkel ga, trap ik dus niet- als de eerste beste puber- in de reclame en doe ik, samen met mijn hoogstpersoonlijke verlangens de boodschappen. 

Dat denk of liever dat dacht ik toch altijd.  Tot een keer, zo’n 4 jaar geleden.  Toen is het begonnen. Ik liep met een volgeladen winkelwagen uit de Delhaize en ik zag hun meesterlijke slogan: ‘Leef zoals je wil.’  Ja maar, dacht ik.  Dat kan niet.  Dat is mijn slogan, mijn sceptische richtsnoer om de reclame te vlug af te zijn.  En dan neemt de reclame mijn slogan over?! Of was de reclame eerst en ben ik hun volgeling?  Dit bracht me danig in verwarring en dat was nog maar het topje van de Freudiaanse ijsberg.  Ik keek namelijk vervolgens naar wat er in mijn winkelkarretje te rapen viel, wat ik samen met mijn hoogstpersoonlijke verlangens had gekozen: Ik zag- tot mijn ontsteltenis- mexican wraps, sushi  à volonté,  scampi’s, een Chinese kool, een Italiaanse pizza en het benauwend zweet brak me ijskoud uit.  

Een volgende slogan schoot me te binnen: ‘Je bent wat je eet.’ 

Met trillend hart durfde ik toen te denken: wie ben ik dan?  Een Mexicaan, een Japanees, een Chinees of een Italiaan?

Sinds die dag ga ik naar het theater en poëzievoordrachten.  In de hoop daar nog verhalen te vinden, een 'goei' verhaal dat klopt.  Maar wat bleek:  ook in het theater zijn er nog weinig echte verhalen.  Deconstructie noemen ze dat.  'Wij deconstrueren de waarheid, want een universele waarheid bestaat niet meer,' heet het daar.  Alles is voorlopig en falsifieerbaar.  Falsiwatte?  Falsifieerbaar, waar tot het tegendeel bewezen wordt. 

En dus zoek ik nu mijn heil in films en soaps. Ik moet wel.  Daar bestaan ze nog, de verhalen, de meeslepende intriges en de liefde, liefde  tot de dood ons scheidt.  

Ik begrijp het niet, buiten de film en de soap wisselen mensen van lief als van GSM. Is een lief ook falsiwatte?  De ware tot het tegendeel bewezen wordt?  Ik word daar een beetje moedeloos van en ik weet ook niet, als ik dan een lief heb wat ik moet doen. Geloven dat wij samen oud gaan worden of denken: dit is maar een overgangsfiguur naar een volgende die beter is? 

Onlangs zei iemand dat tegen me: er bestaan alleen maar overgangsfiguren.  Ik krijg het daar een beetje koud van. Maar ik ben aan het zeuren.  Ik weet het, wij zijn kei vrij om te gaan en staan waar we willen, om ons lief te dumpen en in een nieuw avontuur te jumpen. 

Maar als ik heel eerlijk ben?  Ik vind dat moeilijk, ik spring niet zo gemakkelijk ergens in, laat staan in het diepe-dieperdere-diepst: de liefde.  Hoe kan je nu een vis aan de haak slaan als je niet zeker weet dat er morgen geen schoonder exemplaar voorbijzwemt?  En dus zit ik maar een beetje naar die  zwemkom te kijken en staar apathisch naar  the plenty of fish in the sea, de zee van de oneindige  mogelijkheden. 

En ik denk: die vissen in die visbokaal, die willen een verhaal,  net als ik.  Een altijd waar verhaal om in te geloven, om te kunnen blijven rondzwemmen, en opeenvolgende visjes aan hun lijn te rijgen.  En waarom willen zij een  altijd waar verhaal?  Kom nou, dat snapt zelfs een meisje van 14: de vis kan veranderen, maar er blijft altijd een haakje steken. 



woensdag 18 januari 2012

Joppe op de improles...


‘Last van koudwatervrees?’ vroeg de vrouw van middelbare leeftijd naast hem.  Hij had zich ingeschreven voor een cursus improvisatietheater.  Hij vond dat hij toch een beetje onder de mensen moest komen en misschien hoopte hij ook een beetje van zijn eigen verloren gegane spontaneïteit terug te vinden, maar nu hij die 45-jarige vrouw naast hem bekeek, vroeg hij zich af of dit nu wel zo’n goede beslissing was.  Waren al deze mensen hier om iets artistieks te doen met hun leven, zichzelf opnieuw heruit te vinden?  Hij keek om zich heen.  Twintigers of veertigers.  Amper dertigers, die zaten nu in de pampers en moesten te hard werken om hun huis af te betalen.  Geen tijd meer voor een hobby.  Kinderen en huizen eerst!  Een hobby.  Dit zou dus zijn hobby worden.  Voor zover hij wist had hij nog een nooit een hobby gehad.  Nooit postzegels verzameld of gevoetbald, nooit jeugdig bewogen in scouts of chiro of een instrument leren bespelen. 
‘Nee, dat valt wel mee, ik heb wel al voor hetere vuren gestaan, ben al door diepere watertjes gegaan’ antwoordde hij met een kwinkslag. 
‘Het water is nooit te diep’, zong een andere veertiger. 
‘Kijk eens diep in mijn ogen,’ zong een pas uit het ei gekropen twintiger. 
Oh, nee, grapjassen tegen elkaar op.  Dit zou vermoeiend worden en om erbij te horen zou hij zijn duit in het zakje moeten doen.  Joppe zuchtte.  Ze waren nog niet eens begonnen, dit was de cafetaria vooraf en zoals dat hoorde bij het verenigingsleven zou de cafetaria achteraf ook een verplicht nummer worden en als hij er zich aan zou ontrekken, was hij weer de rare, de vreemde eend in de bijt,... 
‘He Joppe, wat doe jij hier?’ 
Karin.  Wat deed zij hier? 
‘Hetzelfde als jij denk ik, ik kom improën.’
Ze barstte in lachen uit.  ‘Dat is toch niets voor jou Joppe.  Jij moet een boek schrijven of zo, op je zolderkamer zitten en serieuze dingen bestuderen, toch geen zotte impro komen doen.’
Hij moet gekwetst gekeken hebben, want plots viel ze stil.
Een ongemakkelijke stilte.  Dat was nu al de tweede keer in een paar dagen dat hij haar tegenkwam en twee keer kwam hij bij haar in een gênante situatie.  Deed ze het ervoor?  Was ze erop uit hem te kleineren.  Hij dacht weer aan Karels woorden:  weet je dat Karin echt een hoge pet van jou opheeft?’ 
Hij bekeek haar plots anders.  Misschien was zij niet de superieure populaire blondine en hij de idiote dwaas.  Misschien voelde zij zich wel minderwaardig tegenover hem.  Ha!  ‘Wat zit jij zo te glimlachen?’ 
‘Niks, ik ben gewoon blij van je te zien.  Ik denk dat ik je gemist heb.’  BAM!  Het sloeg in als een bom.  Karin keek hem vol ongeloof aan.  Zoiets liefs had hij nog nooit tegen haar gezegd.  ‘Dankjewel, ik vind jou ook een lekker stuk,’ lachte ze zijn compliment weg en ze wendde zich tot de vrouw naast Joppe.  ‘Hoe heet jij?’
‘Sandra en jij?’  ‘Karin.’  ‘Heb jij al eens impro gedaan?’  ‘Ja een paar cursussen en jij?’ ‘Nee, het is de eerste keer’, zei Sandra, ‘en ik ben wel een beetje zenuwachtig.’  ‘Nergens voor nodig, impro is super tof en ontspannend, wacht maar af.’  Oké ze was alweer vlotte Karin, maar om die grap met Karel moest hij haar toch nog aanspreken.  Koppelarij, daar was hij niet van gediend en van homoseksualiteit  noch minder.  Dat zou hij haar heel duidelijk maken.  Ooit, op een keer, als hij er de kans toe zag. 
Het improgedeelte was goed meegevallen. De spelletjes waren uiteraard een beetje stupide, maar hij moest toegeven dat het werkte.  Het had hem in de juiste stemming gebracht en hij was zelfs een beetje opgezet met zichzelf.  Karin had het mis, hij was niet alleen een zolderkamertype.  Hij had echt een paar goede vondsten gedaan: een stotterende chirurg die feilloos sneed, maar zijn status verloor het moment dat hij de operatiekamer verliet.  Het had een komisch spel opgeleverd, waarin hij hoe langer hoe sneller wisselde tussen de zelfbewuste chirurg en de stotterende sukkelaar.  Zelfs Karin had zijn statuswissels kunnen smaken en de improcoach had bewonderend naar hem gekeken.  Hij had toen moeten gaan, in dat moment van hoge status en bewondering.   

Hij had moeten weten dat de cafetaria achteraf, de bananenschil was waarop hij zijn gezicht zou verliezen.  Opnieuw.  Nog maar een keer zei hij de foute dingen op het foute moment.  Hij was aan de praat geraakt met een aantrekkelijke jonge vrouw, Ingrid.  Ze was lerares in het lager onderwijs. Dit nieuwtje had hem helemaal wild en roekeloos gemaakt.  Een juf, met dezelfde naam als Saids juf in de eerste klas.  Gaf ze les in Antwerpen stad?  Ja!  En ook aan migrantenkinderen?  Ja!  Hij had haar in één onnadenkende moment over zijn boek verteld.  En zij was enthousiast geweest.  Ze had hem zelfs gevraagd of ze er stukken van mocht lezen en toen had hij gezegd dat het wel een moeilijk boek was, met grote literaire complexiteit.  Dat men wel wat belezen moest zijn om het te kunnen lezen.  Het was pure schaamte natuurlijk die hem tot die uitspraak had gebracht.  De verlegenheid die hem vaker overviel als iemand interesse toonde.  ‘Dus jij denkt dat jouw boek te moeilijk is voor mij?  Omdat ik maar een leraresje ben, amper gestudeerd en alleen maar in staat tot het opzeggen van het ABC?’  Alle improhoofden hadden zich naar hem gericht.  ‘Was dit een spel of was dit echt?’ leken ze als 1 hoofd te denken. 

‘Ingrid,’ fluisterde hij.  ‘Ik meende het zo niet, natuurlijk vind ik jou niet te dom om mijn boek te lezen.  Ik schat je juist hoog in, maar er is nu eenmaal zoiets als boekenwijsheid die jij misschien niet hebt en die wel noodzakelijk is om mijn boek te begrijpen. Heb jij bijvoorbeeld de Max Havelaar gelezen, heb jij Arabisch geleerd om de verhalen van duizend en een nacht in hun oorspronkelijke taal te lezen?’  ‘Nee.’ En nu werd zij verlegen.  Statuswissel voor hem en voor haar, maar nu niet dolkomisch.  Het was stil geworden aan het cafetariatafeltje.  Met één klap voelde hij zich naar zijn zolderkamer teruggecatapulteerd.  Dit was geen fijn gevoel.  In wederzijdse overeenstemming was hij uit de groep gezet. ‘Ivoren toren-man’ was het harde verdict.  Ingrid stond op.  ‘Nu goed, ik ga dan maar, ik heb wat leesvoer in te halen.’ En ze tikte op een boek dat ze blijkbaar in haar handtas met zich meedroeg: De duivelsverzen van Salman Rushdie.  Hij moest bijna overgeven toen hij dat zag.  Las ze ‘Dé duivelsverzen’?  Een boek waar hij al verscheidene malen was aan begonnen, maar nooit was verder geraakt dan de eerste bladzijden.  Wat had hem bezield, zo van haar onwetendheid, ongeletterdheid uit te gaan?  Hij dronk de laatste slok van het obligate pintje op en mompelde iets waarna hij de improvrouwen verliet.  Dat hij dat nu pas zag, dat hij de enige man was die nog achteraf mee naar de cafetaria was gegaan.  De andere mannen  hadden ongeschonden het pand kunnen verlaten.  Hij moest nu als een gewond dier afdruipen.