vrijdag 22 september 2017

De vrouw die nooit NEE zei


Er was eens een vrouw die geen ‘NEE’ kon zeggen.  Dit had grote gevolgen voor haar welzijn: bij de bakker stak iedereen haar voor, bij de slager liet ze het vlees van haar brood eten door kinderen die om een vleesje jengelden en op haar werk liet ze promoties aan zich voorbijgaan, kreeg ze het slechtste werkrooster en zette ze koffie voor degene die daarom vroeg. 

Op een dag had haar baas er schoon genoeg van en hij stuurde haar op ‘Hoe zeg ik NEE?’- cursus.  Ze leerde er heel erg hard NEE roepen en stampen op de grond.  Het putte haar totaal uit, maar de lesgever zei dat dit normaal was in het begin en dat ze er na een tijdje  wel aan zou wennen.  Het idee achter het harde roepen en stampen was dat het in de buitenwereld onder de niet-aflatende druk van de wedijverende verlangens van anderen vanzelf wel zou afzwakken tot een vriendelijke nee.  En zo geschiedde het.

Ze oefende haar eerste aarzelende ‘NEE’ bij de bakker.  Toen een man haar vroeg of zij nu aan de beurt was, zei ze zachtjes:  ‘Euh nee, ik ben wel zeker dat u meer gehaast bent dan ik, het is uw beurt.’  ‘ Dankjewel’, zei de man, ‘ik was me er niet van bewust dat ik er zo gehaast uitzag.’

Ook op het werk lukte het haar zo nu en dan om nee te zeggen.  Toen een collega haar vroeg of ze misschien een kopje koffie wilde, zei ze resoluut: ‘Nee, volgens mij heb jij die koffie veel meer nodig dan ik, ik zal er wel om gaan!’  ‘Zie ik er dan zo moe uit?’ vroeg de collega verrast.  ‘Dat valt wel mee, maar je verdient wel een koffietje, dat zie ik wel.’

Na ongeveer een jaar lang oefenen in het ‘nee’-zeggen, was de verandering opmerkelijk.  Zelfs haar naam was veranderd.  Ze heette nu de vrouw die ALTIJD nee zei.  Ze vond dan ook dat de tijd rijp was.  Ze zou gaan aanschuiven voor het concert van het jaar.  Dit concert was elk jaar op één dag uitverkocht en dus had ze nooit de moeite genomen om aan te schuiven.  Nu voelde ze er zich klaar voor.

Heel vroeg in de ochtend arriveerde ze om aan te schuiven.  Ze was de tiende in de rij.  Hier kon niets misgaan.  Toen een paar uur later de ticketbalie opende, was ze echter al teruggezakt naar de 95ste plaats.  Maar ze stond er nog steeds goed voor, er waren immers  300 tickets te koop.    Een uur later stond ze echter op plaats 135 en nog een uur later op plaats 189.  Toen ze nog een paar uur later op plaats 301 dreigde te belanden, sprak nummer 300 haar  aan. 

‘Bent u niet die vrouw die me ooit voorliet in de bakker, omdat ik er zo gehaast uit zag?’ ‘Nee, nee, ik denk dat u zich vergist’, zei de vrouw die ALTIJD nee zei.  ‘Nee, zei de man, zo komt u er niet vanaf, ik weet wel zeker dat u het was en ik zie in uw ogen dat u meer naar dit concert verlangt dan ik.  Ik heb het al ontelbare keren meegemaakt. Neemt u mijn plaats maar.’ ‘Dankjewel’, zei de vrouw die  normaal ALTIJD nee zei. Toen draaide nummer 299 zich om: ‘U heeft uw plaats eens aan mij afgestaan toen ik helemaal afgepeigerd de bus opkwam.  Gaat u maar voor, ik sta erop!’  Nummer 298 herinnerde het zich nog als gisteren toen hij samen met haar 50 euro op straat had gevonden en zij erop had gestaan om ze aan te nemen, omdat hij het zoveel meer nodig leek te hebben. En dus liet hij haar nu voorgaan. Nummer 297 bleek een oud-collega aan wie ze haar promotie had afgestaan: ze liet haar voorgaan. En zo ging het maar door: één voor één draaiden de mensen zich naar haar om en lieten haar voorgaan.  Het was alsof de mensenzee zich voor haar opende  tot een erehaag en onder steeds luider aanzwellende juichende kreten, schreed ze naar voren als was ze een koningin. 

Ze kwam aan bij de ticketbalie: Nummer 102.  Wilt u een zit- of een staplaats?    Doe maar een zitplaats.  Dan kan ik mijn plaats afstaan aan iemand die het meer nodig heeft dan ik.

En zo genoot ze een paar dagen later van het concert van het jaar, ergens helemaal achteraan in een uithoekje van de zaal met een klein gebarsten glaasje water in haar hand en de overwinningsroes in haar hoofd.  De muziek had nog nooit zo mooi geklonken.