5uur ’s morgens, zijn
moeder wekte hem. Met een gevoel van
opwinding liet hij zich in zijn kleren hijsen.
Dit was de laatste dag in hun dorpje Berkane; de laatste dag dat hij voor
achterlijk werd uitgescholden, omdat hij uit een dorp kwam en niet uit de stad:
Oujda. Europa wachtte op hem, het land
van overvloed, niemand was er achterlijk, laat staan: arm. Iedereen had er een computer én een auto.
Soms meer dan één auto per gezin, soms meer dan één computer per gezin. Soms
moest wellicht vervangen worden door ‘vaak’, ‘meestal’. Nog gezwegen over
smartphones, Ipads en meer van dat technologisch goud. Hij zou nooit meer naar
Marokko terugkomen of toch niet zonder GSM, zoveel was zeker. Hoewel hij
pas vijf was, wist hij die dingen: ze gingen om dingen naar België.
Maar eerst naar
Cueta, het Spaanse Marokko. En daar
zouden ze de boot nemen. Ongelooflijk!
In een paar uur tijd konden ze Europa bereiken. Waarom hadden ze in hemelsnaam zo lang
gewacht? Marokkaanse Kafka, het
antwoord. Ook dat wist Said, nee hij
wist niets over Kafka, maar wel dat het moeilijk was in Marokko, om iets te
regelen, en zeker om er uit weg te gaan.
De hele boottocht lang
bleef Said in het ruim van de boot staan wachten-wachten-wachten. Het ruim leek op een soort garage in de boot,
een onderzeese garage, afgesloten door massieve, ijzeren en hemelhoge poorten. Straks zouden die poorten opengaan, de
poorten naar het paradijs. Hij voelde het
schip vaart minderen, de motoren rammelden en dan kwam de boot, met een
schokje, hoe kan het ook anders, tot stilstand.
Nu, dacht Siad, nu! En hij sprak
de legendarisch-magische woorden: ‘Sesam, open u’. Het werkte.
De poorten gingen open en Said kreeg een fantastisch uitzicht op de
haven van Algeciras, de blauwe kranen stonden er als trotse grijparmen, klaar
om het goud uit de zee te scheppen. Dit
was Europa. Fier stond hij vanuit het
ruim te kijken. Zijn borst zwol, de wind blies door zijn kleine hemdje. Hij
dacht met onwankelbare trots aan zijn grootvader, die hem verteld had hoe deze kust
er moest uitzien. Zijn grootvader was
nooit uit hun dorp geweest, maar hij kende de verhalen en dus kende ook Said de
verhalen. Maar nu was het voor Said geen
verhaal meer, het was werkelijkheid geworden.
De werkelijkheid stelt
altijd teleur als de verwachtingen te hoog gespannen zijn. De werkelijkheid moest het onderspit delven
voor de verbeeldingskracht van opa’s verhalen. Het land van melk en honing, de
schatkamer Europa die Said heel zijn leven zou kunnen voeden, bleek minder
gastvrij dan hij het zich verbeeld had.
Was zijn grootvader een leugenaar? Dat zou de vraag zijn die
langzamerhand zou rijzen en die niet mocht rijzen. Een grootvader diende namelijk gerespecteerd
en dus geloofd te worden. De kiem voor een hoop tegenstrijdige emoties was
gelegd. Die kiem heette: migratie. Het begon allemaal met een lange en vooral ellendige treinreis doorheen Spanje
en Frankrijk naar België. De trein was
misschien comfortabeler dan een trein in Marokko, maar heel zeker wist Said dat
niet, want hij had nooit met de trein gereisd in Marokko. Opa wel, heel vaak was hij naar Marakkech
gereisd om handel te drijven. Dan kwam
hij beladen met handtassen, sloffen en djelabba’s terug thuis en die spullen
verkocht hij op de soek, bij hen in het
dorp, Berkane. Over het Djemaa el Fna-plein kon zijn grootvader
honderduit vertellen. Over de
slangenbezweerders vooral, ze konden slangen laten dansen en één keer had opa in
de ogen van één van de slangenbezweerders gekeken en vervolgens had hij de hele
dag door de Soek gedanst. Pas tegen de
avond was de bezwering uitgewerkt. Het
had zo fantastisch geklonken. Zijn opa
dansend door de soeks, spullen oppikkend alsof het niks was.
De treinrit duurde
uren en uren en Saids moeder gaf hem zoete koeken om de tijd te doden en zijn
honger te stillen, maar echt doden deed
het de tijd niet en ook zijn Europese honger naar goud en andere dingen liet
een onvulbare holte na in zijn buik.
Said was te zenuwachtig. Te
nerveus om zijn vader in de Antwerpse haven te zien, kijken hoe papa het goud
met die blauwe kraanarmen uit de zee schepte of was het eerder ‘schiep’. Maar hoe verder landinwaarts ze reden, hoe
mistroostiger hij werd en hoe harder de twijfel aan de holte in zijn buik kwam knagen. Hij
krabde over die buik en dacht na. Wat
was geloofwaardiger; blauwe goudkranen of een soekdansende opa?
Bij elke
grensovergang stapte er een soort agent in de trein die in een onverstaanbare
taal vroeg om hun papieren te bekijken.
Ze keken kwaad, die agenten, en hoe meer ze naar het noorden gingen, hoe
kwader ze keken. In België aangekomen
had hij alle hoop verloren. Het zag er
droevig uit, dit land, het regende en de mensen op de trein zwegen. Nergens werd gelachen of gezongen, nergens
werden er verhalen verteld. Iedereen zat
netjes voor zich uit te staren, sommigen wiegend op de muziek die in hun oren
ruiste, anderen keken om de zoveel tijd op hun GSM, alsof dat de tijd zou doen
versnellen. Het leek wel alsof er
onzichtbare muren waren gemetseld tussen al die mensen en iedereen leek dat
goed te vinden, normaal, niemand was bereid een steentje te verleggen om eens
aardig naar hem, Said, te knikken.
‘Mama’, vroeg hij met een krak in zijn stem, ‘wil je me een verhaal
vertellen?’ Zijn moeder keek hem een
beetje ongelukkig aan en zei dat ze daar nu niet meer de energie voor had. Ook zijn moeder was dus al besmet, haar
hersenen waren gaan slapen. Zij was als
iedereen op de trein; moe en ongelukkig.
Maar waarom waren al deze mensen zo?
Hij vroeg het aan de vrouw over hem in de trein: ‘Waarom bent u ongelukkig?’ Ze brak even haar muur af, keek hem
vernietigend aan, nam haar spullen en ging twee plaatsen verder zitten, terwijl
ze zorgvuldig haar muur weer opbouwde en een laptop bovenhaalde. Wauw! Hij bleef naar haar staren, toen ze ook
nog een grote koptelefoon over haar hoofd op haar oren plantte.
Wauw, ze zat zomaar op de trein een film te zien! Zijn moeder trok aan zijn mouw en keek nog
vernietigender dan de vrouw die over hem had gezeten en nu een film aan het bekijken was. Hij werd bang. Zijn moeder was op een paar uur tijd van een
lieve, altijd zingende moeder veranderd in een verbitterde oude heks. Hij was bang om zijn vader terug te
zien. Hoe zou zijn vader zijn geworden
die hij al 3 jaar niet meer had gezien en van wie hij zich nauwelijks kon
herinneren hoe hij eruit zag?
De trein kwam tot
stilstand en weer kwam zo’n soort agent de trein op om hun papieren te
bekijken. Later pas zou hij het woord leren voor zo'n man: kaartjesknipper of conducteur. Zijn moeder sprak in een rare
taal tegen de agent en zei tegen
Said: ‘We moeten opstaan Said, de
volgende halte is de onze.’ De trein
kwam langzaam tot stilstand, een laatste keer.
Een man met donkere baard stond hen op te wachten. Zijn vader.
Hij werd omhelsd en opgetild. Papa
leek kleiner dan in zijn herinnering, maar zijn ogen waren nog even donker en
lachte vriendelijk naar hem. Said vroeg: ‘Gaan we naar de haven?’ Zijn vader
lachte, vandaag niet, jongen. Vandaag
gaan we naar huis. Morgen gaan we naar
de haven; morgen!
Geen opmerkingen:
Een reactie posten