woensdag 6 januari 2016

Feniks



Hij had gecirkeld.  Boven mijn hoofd. Alsof hij daar een aureool had willen tekenen.  Een soort feniksachtige vogel: een rood verendek, een helder lied, een bijzondere vlucht. Kortom een mythische vogel.  En hij had mij uitverkoren. Toen die dag, toen ik pas met mijn moeder uit de kraamkliniek kwam en ik voor het eerst in mijn ledikantje werd gelegd.  In de tuin.  Waar anders! De zon had geschenen bij mijn thuiskomst.  En nog niet zo’n beetje ook. Een verzengende hitte was het geweest en daar had die feniks mooi ingepast. Zo ging de legende.

Want een legende was het uiteraard.  Onwaar, overdreven en mij toegedicht om mij een waas van bijzonderheid te verlenen die ik uiteraard altijd zeer verdacht heb gevonden.  Welke schuld roerde er zich in mijn moeders hart dat ze zo’n dwaas en verheven verhaal moest verzinnen?  Voorvoelde ze een zeker onheil?  Vond ze het sneu voor mij, de jongste van drie zussen te zijn, en gaf ze me daarom dit verhaal mee als een soort pantser tegen de vrijwel zekere plagerijen die mij te beurt zouden vallen? Ik vermoed dit laatste, want als jongste van drie zussen had ik het inderdaad niet onder de markt.  Getreiterd, gepest, gekoeioneerd.  Een typisch geval van zusterlijke rivaliteit.  Kleintje was steevast de naam die ik te dragen of zeg maar te torsen had.  En ik draag hem nog steeds.  Maar ik ben net 18 geworden en moet kiezen wat ik ga studeren.  Ik overweeg iets rebels.  Het nest verbranden. Zoiets. Maar eerst is er bezoek.  Mijn twee zussen komen langs.  En niet voor de meest blijde gebeurtenis. 
Mama is ziek. Zoals dat gaat in verhalen en ook wel in het echt.  Voor mij is het dus echt.  Voor jullie alleen maar een verhaal.  Zo gaat dat met dingen die gebeuren.  Alleen dingen die jezelf overkomen zijn echt.  Dingen die anderen overkomen zijn ‘alleen maar’ een verhaal. Je kan je erin inleven, empathie betonen en het bijna echt beleven.  Maar echt echt is echt nog wel iets anders.  Dat kan ik je verzekeren.  Het is anders je eigen moeder te verliezen dan die van je beste vriendin.  Maar dat is wellicht een open deur… Jammer genoeg wandelen straks door diezelfde open deur mijn zusjes naar binnen om heel zusterlijk het leed samen te dragen.   Vooral mijn oudste zus is onuitstaanbaar.  Zoals ik de naam Kleintje draag, draagt zij de naam Zus.  Ook een zware last, dat geef ik graag toe en ook grif en waarachtig.   Het is een naam vol verantwoordelijkheid en belangrijkheid en dat laat ze te pas en te onpas horen via haar te grote mond die uiteraard haar te kleine hart moet verdoezelen.  Zus heet dus Zus. Terwijl Kleintje; dat betekent vanzelfsprekend geen verantwoordelijkheid, klein blijven, speels, naïef, een mamaskindje.  Alsof. Schijn kan bedriegen. 
 Maar daarover later meer.

Eerst de middelste zus. Ze heet Lies.  Geen bijnaam. Gewoon haar eigen naam. De middelste valt altijd wat tussen wal en schip en is dus door de mazen van het familiale ekitettenpretnet gekropen.  Ze staat op het punt te trouwen.  Met een man uit Pakistan.  Lieve man.  Mooie man.  Ik snap waarom ze voor hem valt, wat ze in hem ziet.  Maar het valt te bezien of die mooie lieve snoet geen valstrik is en het manssubject ribbedebie is zodra het gepapierewier in orde is. Ik hoop voor haar van niet.  Want Lies is eigenlijk wel best te pruimen. Zij is degene die voor me opkomt in ons familiale wespennest en als ze niet zo’n irritante zedenpreekster zou zijn, zou ik haar bijna sympathiek vinden. Bijna en natuurlijk stiekem, want oprechte liefdesuitingen zijn bij ons zeldzaam, laat staan expliciet.  Dus gelieve, discreet om te gaan met deze informatie….

Geen opmerkingen:

Een reactie posten