maandag 27 augustus 2012

Wat heb jij een grote oren...


Said had de hele tijd naar zijn grootvaders oren zitten kijken, naar die gigantische oorlellen. Zou hij later ook zulke oorlellen krijgen of was zijn opa zo geboren? Terwijl hij gebiologeerd naar die lellen bleef kijken, vertelde zijn opa over een akelige vrouw die vroeger bij hen aan de rand van het dorp had gewoond.  Deze vrouw was erg lelijk geweest.   Zo lelijk dat niemand ooit met haar gesproken had.  Haar lelijkheid was voortgesproten uit een natuurlijk mankement: een vooruitstekend kinnebakkes, met ondertanden die ver voorbij de boventanden kwamen. 
Ware het daar maar bij gebleven! Dan had ze misschien nog iets van een sympathieke dwaas gehad kunnen hebben.  Het erge was dat ze haar geprononceerde ondertanden probeerde te verstoppen door te trekken aan haar bovenlip.  De hele tijd zat ze met haar worstenvingertjes te trekken aan de steeds langer wordende bovenlip.   Ze trok net zo lang tot  haar bovenlip helemaal tot over haar puntige onderkin viel.  De ondertanden, die bij gebrek aan weerstand van de boventanden konden blijven groeien, groeiden dwars door de uitgelebberde en van gestriemd vlees voorziene bovenlip heen. 
Ze had dus zichzelf- met een ijzeren wilskracht, het moet gezegd- de mond gesnoerd, met haar eigenste tanden!  Er werd gefluisterd dat ze alleen maar vloeibaar voedsel tot zich kon nemen, dat ze naar binnen kon steken langs de zijkant van haar mond waar  zich nog een kleine uitsparing bevond.  Maar anderen spraken nog kwader over haar.  Ze zegden dat deze tronie bij volle maan toch haar mond kon opendoen en dat ze dan een jongeman uit het dorp verslond, uit pure rechtvaardige wraak.  Omdat de mannen met haar lachten, omdat de mannen nooit met haar wilde spreken!  Terecht, had Said gedacht, maar dat had hij niet durven uitspreken, niet tegen zijn opa met de gigantische oorlellen.  Zou hij er aan zitten trekken hebben vroeger, net zoals die akelige vrouw had gedaan?  Said keek nog eens goed naar zijn grootvaders gezicht, maar hij kon niets ontdekken in het vriendelijke gezicht dat hem aan het trekken zou hebben gebracht. 
Op een dag was een jongeman uit het dorp toch verliefd geworden op deze zonderlinge vrouw, vertelde zijn opa, of hij was uitgedaagd door zijn vrienden, zoiets wist je natuurlijk nooit zeker en hij klopte in een stoutmoedige bui, bij haar aan.  Ze schoof een briefje onder de deur: ‘Ga weg, ellendeling en kom hier nooit meer weer!’  Hij begon haar schoonheid te roemen en wist dat ze luisterde.  Hij sprak van de glans in haar ogen, de kwetsbaarheid van haar hart en de zachtheid van haar trekken.  Een tweede briefje volgde: ‘Ga weg, leugenaar!’   Daar kon de jongeman echter geen genoegen mee nemen en omdat zij aan zijn mooie praatjes geen gehoor wilde geven, nam hij het heft in handen.  Hij beukte de deur in, nam de vrouw op zijn rug en holde met zijn afzichtelijke last de bergen in.  Wat een prachtige intertekstualiteit naar Multatuli: hij die veel gedragen heeft.  Of zou de lezer zoiets niet zien, zou dat te veel ‘spielerei’ zijn, zonder inhoud?  Nee, nee, de belezen lezer zou best wel het verband kunnen zien tussen een man die een verstoten vrouw de bergen in draagt en Multatuli, de man die de last van het Javaanse volk op zich nam. Beiden komen op voor de zwakken, voor de zwartgemaakten, de onderdrukten.  Wat is er bovendien zwaarder te dragen dan de last van een lelijke vrouw?
De vrouw zat ondertussen doodsbenauwd op de rug van haar vermeende minnaar en gilde het uit van uitzinnige paniek.  Zij was gewoon aan laster en spotternij, maar dit sloeg alles, een man die beweerde haar te beminnen...  Even speelde ze met de gedachte geloof te hechten aan zijn liefdesverklaring,  tot zij weer tot zichzelf kwam...  Ze verlaagde haar stem en diepe smakgeluidjes leken helemaal vanuit haar maag naar boven te borrelen.  Nu was het de beurt aan de jongeman om bang te worden.  Hij kende de verhalen uiteraard wel, maar had er, wee zijn gebeente, nooit geloof aan willen hechten.  De vrouw fluisterde in zijn oor: ‘Wat heb jij een sappige oren...’  En ze beet, loeihard en de jongen loeide terug en kieperde de lelijke vrouw in één forse  beweging van zijn rug en ze rolde.  Ze rolde lelijk en wel  de berg af, die hij met haar had willen beklimmen, had zij maar haar identiteit kunnen loochenen: een fatale vrouw!   ‘Het zal hem leren, die hoogmoedige jongeman die geen geloof wilde hechten aan de verhalen van zijn cultuur,’ fluisterde opa. ‘Vergeet nooit waar je vandaan komt en wie je bent!’ Said knoopte het diep in zijn kleine jongensoren. 

2 opmerkingen:

  1. Dag Suzanne,
    Keurig verhaal!
    Graag een woordje uitleg over de tekening.
    Liefs,
    Nadja

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Da Vinci, de man die alles kon, vond het blijkbaar leuk de aftakeling en lelijkheid te schetsen van oude mensen.Google maar eens grotesque heads...

    BeantwoordenVerwijderen