Said had de hele tijd
naar zijn grootvaders oren zitten kijken, naar die gigantische oorlellen. Zou
hij later ook zulke oorlellen krijgen of was zijn opa zo geboren? Terwijl hij
gebiologeerd naar die lellen bleef kijken, vertelde zijn opa over een akelige
vrouw die vroeger bij hen aan de rand van het dorp had gewoond. Deze vrouw was erg lelijk geweest. Zo
lelijk dat niemand ooit met haar gesproken had.
Haar lelijkheid was voortgesproten uit een natuurlijk mankement: een
vooruitstekend kinnebakkes, met ondertanden die ver voorbij de boventanden
kwamen.
Ware het daar maar
bij gebleven! Dan had ze misschien nog iets van een sympathieke dwaas gehad
kunnen hebben. Het erge was dat ze haar
geprononceerde ondertanden probeerde te verstoppen door te trekken aan haar bovenlip. De
hele tijd zat ze met haar worstenvingertjes te trekken aan de steeds langer
wordende bovenlip. Ze trok net zo lang
tot haar bovenlip helemaal tot over haar
puntige onderkin viel. De ondertanden,
die bij gebrek aan weerstand van de boventanden konden blijven groeien, groeiden
dwars door de uitgelebberde en van gestriemd vlees voorziene bovenlip heen.
Ze had dus zichzelf-
met een ijzeren wilskracht, het moet gezegd- de mond gesnoerd, met haar
eigenste tanden! Er werd gefluisterd dat
ze alleen maar vloeibaar voedsel tot zich kon nemen, dat ze naar binnen kon
steken langs de zijkant van haar mond waar
zich nog een kleine uitsparing bevond.
Maar anderen spraken nog kwader over haar. Ze zegden dat deze tronie bij volle maan toch
haar mond kon opendoen en dat ze dan een jongeman uit het dorp verslond, uit
pure rechtvaardige wraak. Omdat de
mannen met haar lachten, omdat de mannen nooit met haar wilde spreken! Terecht, had Said gedacht, maar dat had hij
niet durven uitspreken, niet tegen zijn opa met de gigantische oorlellen. Zou hij er aan zitten trekken hebben vroeger,
net zoals die akelige vrouw had gedaan? Said
keek nog eens goed naar zijn grootvaders gezicht, maar hij kon niets ontdekken
in het vriendelijke gezicht dat hem aan het trekken zou hebben gebracht.
Op een dag was een
jongeman uit het dorp toch verliefd geworden op deze zonderlinge vrouw,
vertelde zijn opa, of hij was uitgedaagd door zijn vrienden, zoiets wist je
natuurlijk nooit zeker en hij klopte in een stoutmoedige bui, bij haar aan. Ze schoof een briefje onder de deur: ‘Ga weg,
ellendeling en kom hier nooit meer weer!’
Hij begon haar schoonheid te roemen en wist dat ze luisterde. Hij sprak van de glans in haar ogen, de
kwetsbaarheid van haar hart en de zachtheid van haar trekken. Een tweede briefje volgde: ‘Ga weg,
leugenaar!’ Daar kon de jongeman echter geen genoegen mee
nemen en omdat zij aan zijn mooie praatjes geen gehoor wilde geven, nam hij het
heft in handen. Hij beukte de deur in,
nam de vrouw op zijn rug en holde met zijn afzichtelijke last de bergen in. Wat een prachtige intertekstualiteit naar
Multatuli: hij die veel gedragen heeft.
Of zou de lezer zoiets niet zien, zou dat te veel ‘spielerei’ zijn,
zonder inhoud? Nee, nee, de belezen
lezer zou best wel het verband kunnen zien tussen een man die een verstoten
vrouw de bergen in draagt en Multatuli, de man die de last van het Javaanse
volk op zich nam. Beiden komen op voor de zwakken, voor de zwartgemaakten, de
onderdrukten. Wat is er bovendien zwaarder
te dragen dan de last van een lelijke vrouw?
De vrouw zat
ondertussen doodsbenauwd op de rug van haar vermeende minnaar en gilde het uit
van uitzinnige paniek. Zij was gewoon
aan laster en spotternij, maar dit sloeg alles, een man die beweerde haar te
beminnen... Even speelde ze met de
gedachte geloof te hechten aan zijn liefdesverklaring, tot zij weer tot zichzelf kwam... Ze verlaagde haar stem en diepe smakgeluidjes
leken helemaal vanuit haar maag naar boven te borrelen. Nu was het de beurt aan de jongeman om bang
te worden. Hij kende de verhalen
uiteraard wel, maar had er, wee zijn gebeente, nooit geloof aan willen
hechten. De vrouw fluisterde in zijn
oor: ‘Wat heb jij een sappige oren...’
En ze beet, loeihard en de jongen loeide terug en kieperde de lelijke vrouw
in één forse beweging van zijn rug en ze
rolde. Ze rolde lelijk en wel de berg af, die hij met haar had willen
beklimmen, had zij maar haar identiteit kunnen loochenen: een fatale
vrouw! ‘Het zal hem leren, die
hoogmoedige jongeman die geen geloof wilde hechten aan de verhalen van zijn
cultuur,’ fluisterde opa. ‘Vergeet nooit waar je vandaan komt en wie je bent!’
Said knoopte het diep in zijn kleine jongensoren.
Dag Suzanne,
BeantwoordenVerwijderenKeurig verhaal!
Graag een woordje uitleg over de tekening.
Liefs,
Nadja
Da Vinci, de man die alles kon, vond het blijkbaar leuk de aftakeling en lelijkheid te schetsen van oude mensen.Google maar eens grotesque heads...
BeantwoordenVerwijderen