Ze praten. De franjes van mijn mama’s
schoenen. Waar ze geweest zijn die dag. Op het werk bijvoorbeeld, onder haar
bureau. Daar is het zo donker, zeker als
de schoenen, na wat nonchalant bungelen aan mama’s voeten uiteindelijk in een
grimmig hoekje onder dat bureau terechtkomen.
Er wordt onvoldoende gepoetst daar, dat kan ik je wel zeggen.
Als het zo’n dag is geweest, dan zie ik dat
meteen, de franjes hebben al hun franjes verloren. Dan weet ik: dit is een avond van luisteren,
van niet te veel zeggen ook, want al wat ik zeg, kan in een verkeerd keelgat
schieten en dan zijn de poppen aan het dansen en heb ik dagenlang ‘s avonds
niemand meer om tegen te praten. Behalve
mijn poppen dan. Maar dat is saai. Alle kinderen praten met hun poppen. Ik niet,
dus.
Soms zie ik de franjes de hele dag, dat zijn
topdagen. Samen naar de dierentuin
bijvoorbeeld. De vissen, daar zijn ze
echt fan van, dan bollen ze hun leren lapjes tot mooie o’tjes: o-o-oooh!
Soms ook blijven ze thuis, zelfs al is mama
weg. Als mama uitgaat bijvoorbeeld, dan
draagt ze geen franjes, maar laarsjes, met hoge hakken. Dat vind ik wel een beetje gemeen van haar en
dus troost ik de franjes als mama weer eens op de lappen gaat.
Gelukkig gebeurt dat niet zoveel. Mama ligt vaak in de lappenmand ‘s
avonds. Ze is moe. Dan kijken de franjes en ik in wederzijdse
verstandhouding naar elkaar: waarvan?
Van het zitten aan een bureau?
Dat vinden wij dan grappig. En
daar moet mama dan ook om lachen. Ze noemt me dan wel eens gekkie. Alsof. Nee hoor, ze weet het niet van onze
geheime babbeltjes.
Soms ergert ze zich als ik lach. Omdat ze zo moe is, denk ik dan. Maar eigenlijk weet ik het niet. De franjes weten het ook niet. Soms smokkel ik ze mee in mijn
slaapkamer. Dat vindt papa niet zo
leuk. Dan zet hij de schoenen in
bad. Alsof die dat leuk vinden. Alleen in dat koude bad. Gelukkig zet hij de kraan niet open. Ik weet niet goed op wie hij dan boos is: op
mij, op mama of op de schoenen.
Misschien is hij wel boos op zichzelf. Dat heb ik ook. Soms.
Gisteren was er geen land mee te
bezeilen. ‘Wat bezielt jullie toch?’,
vroeg ik nog. Tot de franjes naar de
zool van de linkerschoen wezen. Een gat,
zo groot als mama’s dikke teen. We
werden er stil van. En dachten aan
mama’s teen en de kou die die weldra zou gaan voelen. De volgende dag gaf ik mama dikke
sokken. Ze keek me lief aan en ook wel
verstrooid. Alsof er toch een belletje
ergens leek te rinkelen in dat warrige hoofd.
Gelukkig deed ze wel de sokken aan. De toekomst van mijn vrienden is
voorlopig veilig.
Hoewel. Met mama weet je nooit. Soms kiepert ze ineens iets in de vuilnisbak,
zonder aankondiging. Dat maakt me bang.
Zo moeten ze zich voelen als ze weer eens aan haar voeten bungelen: beland ik
vandaag in een grimmig hoekje of niet?
Ik begrijp de franjes beter dan de voeten die ze moeten omkransen.
Vandaag was mama vrolijk. Waarschijnlijk omdat ze zo’n warme voeten
had. Warme voeten, warm hart. Dat zegt mijn opa altijd. Nu pas begrijp ik hem. Opa is een slimme man. Hij noemt mij één van
de franjes van zijn leven: een versierseltje, een krulletje, ik maak zijn
wereld een beetje mooier. Mama zegt dat
opa zich beetje bij beetje in zijn eigen wereld terugtrekt. ‘Is het daar donker?’ heb ik haar
gevraagd. ‘Nee, dat denk ik niet’, zei
ze. ‘En wordt er daar wel goed
gepoetst?’ ‘Ja, er wordt een beetje te
goed gepoetst, denk ik’, antwoordde mama.
‘Oef’, zei ik, ‘dat is dan toch al dat.’
‘Ja, dat is nogal wat.’
Geen opmerkingen:
Een reactie posten