woensdag 7 oktober 2015

Ze praten


Ze praten. De franjes van mijn mama’s schoenen.  Waar ze geweest zijn die dag.  Op het werk bijvoorbeeld, onder haar bureau.  Daar is het zo donker, zeker als de schoenen, na wat nonchalant bungelen aan mama’s voeten uiteindelijk in een grimmig hoekje onder dat bureau terechtkomen.  Er wordt onvoldoende gepoetst daar, dat kan ik je wel zeggen. 

Als het zo’n dag is geweest, dan zie ik dat meteen, de franjes hebben al hun franjes verloren.  Dan weet ik: dit is een avond van luisteren, van niet te veel zeggen ook, want al wat ik zeg, kan in een verkeerd keelgat schieten en dan zijn de poppen aan het dansen en heb ik dagenlang ‘s avonds niemand meer om tegen te praten.  Behalve mijn poppen dan.  Maar dat is saai.  Alle kinderen praten met hun poppen. Ik niet, dus.

Soms zie ik de franjes de hele dag, dat zijn topdagen.  Samen naar de dierentuin bijvoorbeeld.  De vissen, daar zijn ze echt fan van, dan bollen ze hun leren lapjes tot mooie o’tjes: o-o-oooh!
Soms ook blijven ze thuis, zelfs al is mama weg.  Als mama uitgaat bijvoorbeeld, dan draagt ze geen franjes, maar laarsjes, met hoge hakken.  Dat vind ik wel een beetje gemeen van haar en dus troost ik de franjes als mama weer eens op de lappen gaat. 

Gelukkig gebeurt dat niet zoveel.  Mama ligt vaak in de lappenmand ‘s avonds.  Ze is moe.  Dan kijken de franjes en ik in wederzijdse verstandhouding naar elkaar: waarvan?  Van het zitten aan een bureau?  Dat vinden wij dan grappig.  En daar moet mama dan ook om lachen. Ze noemt me dan wel eens gekkie.  Alsof. Nee hoor, ze weet het niet van onze geheime babbeltjes.

Soms ergert ze zich als ik lach.  Omdat ze zo moe is, denk ik dan.  Maar eigenlijk weet ik het niet.  De franjes weten het ook niet.  Soms smokkel ik ze mee in mijn slaapkamer.  Dat vindt papa niet zo leuk.  Dan zet hij de schoenen in bad.  Alsof die dat leuk vinden.  Alleen in dat koude bad.  Gelukkig zet hij de kraan niet open.  Ik weet niet goed op wie hij dan boos is: op mij, op mama of op de schoenen.  Misschien is hij wel boos op zichzelf. Dat heb ik ook.  Soms. 

Gisteren was er geen land mee te bezeilen.  ‘Wat bezielt jullie toch?’, vroeg ik nog.  Tot de franjes naar de zool van de linkerschoen wezen.  Een gat, zo groot als mama’s dikke teen.  We werden er stil van.  En dachten aan mama’s teen en de kou die die weldra zou gaan voelen.  De volgende dag gaf ik mama dikke sokken.  Ze keek me lief aan en ook wel verstrooid.  Alsof er toch een belletje ergens leek te rinkelen in dat warrige hoofd.  Gelukkig deed ze wel de sokken aan. De toekomst van mijn vrienden is voorlopig veilig.

Hoewel. Met mama weet je nooit.  Soms kiepert ze ineens iets in de vuilnisbak, zonder aankondiging.  Dat maakt me bang. Zo moeten ze zich voelen als ze weer eens aan haar voeten bungelen: beland ik vandaag in een grimmig hoekje of niet?  Ik begrijp de franjes beter dan de voeten die ze moeten omkransen.

Vandaag was mama vrolijk.  Waarschijnlijk omdat ze zo’n warme voeten had.  Warme voeten, warm hart.  Dat zegt mijn opa altijd.  Nu pas begrijp ik hem.  Opa is een slimme man. Hij noemt mij één van de franjes van zijn leven: een versierseltje, een krulletje, ik maak zijn wereld een beetje mooier.  Mama zegt dat opa zich beetje bij beetje in zijn eigen wereld terugtrekt.  ‘Is het daar donker?’ heb ik haar gevraagd.  ‘Nee, dat denk ik niet’, zei ze.  ‘En wordt er daar wel goed gepoetst?’  ‘Ja, er wordt een beetje te goed gepoetst, denk ik’, antwoordde mama.  ‘Oef’, zei ik, ‘dat is dan toch al dat.’  ‘Ja, dat is nogal wat.’     

Geen opmerkingen:

Een reactie posten